AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen belang bij betalingsregeling toeslagen
Appellante was het niet eens met de terugvordering van huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget over de jaren 2012, 2013 en 2014, ter hoogte van € 12.120,00. Zij had verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, die aanvankelijk werd vastgesteld op € 506,00 per maand en later op € 497,00 per maand. De rechtbank oordeelde dat deze betalingscapaciteit voldoende was.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij het bedrag niet kon betalen. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de Dienst Toeslagen echter toegezegd dat de terugvordering buiten invordering is gesteld, waardoor appellante geen betalingsverplichting meer heeft.
Hierdoor is het belang van appellante bij de behandeling van het hoger beroep komen te vervallen. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht van € 136,00 aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen belang.
Uitspraak
202303701/1/A2.
Datum uitspraak: 25 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats]
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 juni 2023 in zaak nr. 22/3449 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (thans: de Dienst Toeslagen).
Openbare zitting gehouden op 17 juni 2024 om 13:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer;
griffier: mr. R.J.R. Hazen.
Verschenen:
Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
====================================
a
De Afdeling
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. gelast dat de Dienst Toeslagen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.
Gronden
De Belastingdienst/Toeslagen heeft huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget over de jaren 2012, 2013 en 2014 van [appellante] teruggevorderd. Het totale bedrag van de terugvordering is € 12.120,00.
[appellante] heeft aan de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om een persoonlijke betalingsregeling van € 300,00 per maand.
Bij besluit van 24 augustus 2021 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek toegewezen en de persoonlijke betalingsregeling vastgesteld op € 506,00 per maand. Bij besluit van 23 februari 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 17 mei 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 23 februari 2022 herzien en bepaald dat [appellante] € 497,00 per maand moet betalen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de berekende betalingscapaciteit voldoende is voor de betalingsregeling van € 497,00 per maand, zodat de totale toeslagschuld binnen de standaardbetalingsregeling van 24 maanden kan worden voldaan.
[appellante] betoogt in hoger beroep dat zij het bedrag van € 497,00 per maand niet kan betalen.
Op de zitting in hoger beroep heeft de Dienst Toeslagen toegezegd dat de terugvordering van de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over de jaren 2012, 2013 en 2014 buiten invordering is gesteld en dat [appellante] hiervoor dus geen betalingsverplichting meer heeft. Daarmee is het belang van [appellante] bij de behandeling van het hoger beroep komen te vervallen. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.