ECLI:NL:RVS:2024:2653
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 8 juli 2020 een aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit binnen drie weken.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke uiteenzetting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de grieven nader onderzoek vereisen en dat deze procedure zich daarvoor niet leent. Gezien de belangen van beide partijen zag de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te kennen. Het verzoek werd afgewezen en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 875,00.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitspraak van de rechtbank wordt afgewezen.