ECLI:NL:RVS:2024:2745

Raad van State

Datum uitspraak
3 juli 2024
Publicatiedatum
5 juli 2024
Zaaknummer
202404030/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling heeft bij besluit van 8 april 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 juni 2024 ongegrond verklaarde. Vervolgens is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Daarbij is meegewogen dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij Duitsland ligt op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 4 juli 2024 verstrijkt. De overdracht heeft geen onomkeerbare gevolgen, aangezien bij een latere vaststelling van Nederlandse verantwoordelijkheid de vreemdeling vanuit Duitsland teruggeleid kan worden.

Gezien deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 3 juli 2024 door voorzieningenrechter D.A. Verburg.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de vreemdeling wordt overgedragen aan Duitsland.

Uitspraak

202404030/2/V2.
Datum uitspraak: 3 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 27 juni 2024 in zaak nr. NL24.15327 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 27 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een verweerschrift ingediend. De vreemdeling heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de minister en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening, hoewel de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 4 juli 2024 verstrijkt. De overdracht van de vreemdeling aan Duitsland heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Als uiteindelijk blijkt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan de vreemdeling vanuit Duitsland worden teruggeleid naar Nederland.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2024
802-1024