ECLI:NL:RVS:2024:2871
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 juni 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 4 april 2023 opnieuw ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris.
De vreemdeling stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 23 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaarde. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank zonder nadere motivering en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.