ECLI:NL:RVS:2024:3058
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak over bewaring vreemdeling wegens illegaal verblijf
Bij besluit van 4 april 2024 stelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vreemdeling in bewaring wegens vermoedelijk illegaal verblijf. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij vereist is dat er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestaat.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat geen redelijk vermoeden bestond. Het feit dat de vreemdeling werd aangetroffen in een woning waar een andere illegale vreemdeling verbleef, is volgens het beleid en jurisprudentie voldoende voor een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Daarom was de staandehouding en daaropvolgende bewaring rechtmatig.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is rechtmatig verklaard en het beroep ongegrond verklaard.