ECLI:NL:RVS:2024:3059

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2024
Publicatiedatum
29 juli 2024
Zaaknummer
BRS.24.000242
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 25 mei 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 18 juni 2024 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling nam de motivering van de rechtbank over en zag geen aanleiding om het oordeel te vernietigen. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming.

De Afdeling oordeelde ook ambtshalve dat de grensdetentie niet onrechtmatig is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep werd daarmee ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel blijft gehandhaafd.

Uitspraak

BRS.24.000242
Datum uitspraak: 31 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 juni 2024 in zaak nr. NL24.22782 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 18 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.P.A. Zwart, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 4.1.1 en 4.1.2 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2024
872-1017