ECLI:NL:RVS:2024:3134

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2024
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
202307708/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 66a Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling wegens inreisverbod en onttrekkingsrisico

Bij besluit van 27 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring gegrond en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld over de termijn van tijdelijke plaatsing in een politiecel; de vreemdeling heeft deze cel binnen de toegestane 24 uur verlaten. Verder beoordeelt de Afdeling de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve en concludeert dat de zware gronden 3a en 3h, waaronder het inreisverbod van tien jaar en het ontbreken van een geldig identiteitsdocument, voldoende zijn om de bewaring te dragen.

De klachten van de vreemdeling over het toepassen van lichtere maatregelen worden verworpen vanwege het aanwezige onttrekkingsrisico. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

202307708/1/V3.
Datum uitspraak: 31 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 december 2023 in zaak nr. NL23.37373 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 13 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Rasul, advocaat te Assen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Op verzoek van de Afdeling heeft de staatssecretaris een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De minister klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de termijn van 24 klokuren voor tijdelijke plaatsing in een politiecel na inbewaringstelling eindigt op het moment dat de vreemdeling, na opheffing van de bewaring of in verband met transport naar een gespecialiseerde inrichting, de politiecel heeft verlaten. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 28 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2181, onder 4. Uit het dossier blijkt dat de vreemdeling op 27 november 2023 om 16.55 uur in bewaring is gesteld en in een politiecel is geplaatst en dat hij die cel op 28 november 2023 om 15.22 uur heeft verlaten. De vreemdeling heeft de politiecel dus binnen de aanvaardbare termijn van 24 klokuren verlaten.
1.1.    De enige grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Ook toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
3.       De vreemdeling betoogt dat de minister de zware grond 3a ten onrechte aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, omdat hij in 2017 met een geldig paspoort Frankrijk is ingereisd. Dit betoog van de vreemdeling faalt. Hij betwist namelijk niet dat hij zonder geldig identiteitsdocument Nederland is ingereisd, zoals de minister in de maatregel van bewaring vermeldt. De vreemdeling betwist daarnaast niet de feitelijke juistheid van de zware grond 3h, maar stelt dat hem het verleden niet kan worden tegengeworpen. Dit betoog van de vreemdeling faalt ook. Uit het dossier en de maatregel van bewaring blijkt dat tegen de vreemdeling een inreisverbod voor de duur van tien jaren is uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vw en hem dit in persoon is uitgereikt. De zware gronden 3a en 3h zijn tezamen voldoende om de maatregel te dragen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in samenhang gelezen met artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000. Wat de vreemdeling over de andere gronden heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
4.       De vreemdeling klaagt ook tevergeefs dat de minister een lichter middel op had moeten leggen omdat hij eerder in bewaring heeft gezeten en hij een partner heeft in Nederland bij wie hij kan verblijven. Gelet op het onttrekkingsrisico dat volgt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, waar de minister terecht in de maatregel op heeft gewezen, is dat onvoldoende om aan te nemen dat de minister met de oplegging van een lichter middel had kunnen volstaan.
5.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 december 2023 in zaak nr. NL23.37373;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2024
846-1111