ECLI:NL:RVS:2024:3254
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling door Raad van State in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 15 juni 2024 in bewaring. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juli 2024 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank werd overgenomen en het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Afdeling zag ook geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 13 augustus 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van de vreemdeling blijft gehandhaafd.