Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 35.2.2 lid d planregelsArt. 27.2.1 planregelsArt. 27.1 lid e planregels
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking beroep na gedeeltelijke tegemoetkoming bij herzien bestemmingsplan Kern en Plassen te Rotterdam
Bij besluit van 15 december 2022 stelde de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Kern en Plassen" vast. Hiertegen stelde verzoekster beroep in, stellende dat op een perceel te Rotterdam meer bouwmogelijkheden waren vergund dan toegestaan, waaronder de bouw van een appartementencomplex en omvangrijke aanbouwen, en dat regels voor ondergronds bouwen ontbraken.
De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak en schorste het onderzoek om partijen de gelegenheid te geven een minnelijke oplossing te bereiken. Bij besluit van 20 juni 2024 stelde de raad het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vast (het herstelbesluit), waarbij gedeeltelijk tegemoet werd gekomen aan de bezwaren van verzoekster.
Verzoekster trok daarop haar beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding. De Afdeling stelde vast dat het herstelbesluit de door verzoekster aangevoerde gronden betrof, zoals beperking van bouwmogelijkheden op het perceel en toevoeging van functieaanduidingen voor ondergrondse parkeergarages. Daarom werd de raad veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De raad van de gemeente Rotterdam is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht na gedeeltelijke tegemoetkoming in het herstelbesluit.
Uitspraak
202300873/3/R3.
Datum uitspraak: 28 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern en Plassen" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder andere [verzoekster] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 16 februari 2024, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. S.T.J. Olierook, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.M. Tang, ir. R.J.T.M. Volman en mr. E. van Lunteren, zijn verschenen.
De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen te komen tot een minnelijke oplossing.
Bij besluit van 20 juni 2024 (hierna: het herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "Kern en Plassen" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
Bij brief van 16 juli 2024 heeft [verzoekster] het beroep ingetrokken en heeft zij de Afdeling verzocht de raad te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.
[verzoekster] heeft een nader stuk ingediend.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb luidt: "In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 inPro de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard."
2. De Afdeling stelt vast dat [verzoekster] haar beroep heeft ingetrokken, omdat de raad volgens haar met het herstelbesluit gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan haar beroep.
3. De raad stelt in zijn verweerschrift dat hij zich zal refereren aan het oordeel van de Afdeling.
4. De Afdeling stelt vast dat de raad met het herstelbesluit gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan [verzoekster] als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Immers, het plan is gewijzigd vanwege gronden die zij heeft aangevoerd tegen het besluit van 15 december 2022.
[verzoekster] heeft onder meer aangevoerd dat er op het perceel [locatie] te Rotterdam (hierna: het perceel) meer is vergund dan is toegestaan. Niet alleen de bouw van een villa wordt mogelijk gemaakt, maar ook de bouw van een appartementencomplex. Ook voorziet de tuinbestemming op het perceel volgens haar ten onrechte in bouwmogelijkheden om de te realiseren appartementen uit te breiden met verschillende omvangrijke aanbouwen. Verder ontbreken er volgens [verzoekster] regels voor ondergronds bouwen op het perceel.
De Afdeling stelt vast dat is tegemoet gekomen aan deze gronden. In de eerste plaats doordat op de verbeelding van het herstelbesluit is aangegeven dat op het grootste deel van de gronden op het perceel waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend de maatvoering één is toegekend. Op grond van artikel 35.2.2, lid d, van de planregels is op deze gronden slechts één woning toegestaan met bijgebouw/gastenverblijf. Daarnaast is aan een deel van het perceel de bestemming "Tuin - 1" in plaats van "Tuin" toegekend, waardoor op grond van artikel 27.2.1 van de planregels de bouwmogelijkheden voor dat deel van de gronden van het perceel zijn beperkt. Ook is aan een deel van deze gronden waaraan de bestemming "Tuin - 1" is toegekend ook de functieaanduiding "parkeergarage" toegekend. Op grond van artikel 27.1, aanhef en lid e, van de planregels zijn ter plaatse van de functieaanduiding "parkeergarage" ondergrondse parkeergarages in niet meer dan een bouwlaag toegestaan.
Daarom bestaat aanleiding om de raad in de proceskosten te vooroordelen.
5. Het verzoek dient op na te melden wijze te worden ingewilligd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. veroordeelt de raad van de gemeente Rotterdam tot vergoeding van de bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
II. gelast dat de raad van de gemeente Rotterdam aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.