ECLI:NL:RVS:2024:350
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van weigering urgentieverklaring voor woningtoewijzing in Utrecht
Appellant, een alleenstaande met co-ouderschap over twee minderjarige dochters, verbleef sinds 2019 in gemeentelijke noodopvang. Hij ontving in november 2020 een urgentieverklaring voor een eenmalig bemiddelingsaanbod voor een appartement vanaf de eerste etage met maximaal drie slaapkamers. Het college bood hem een woning aan in Kanaleneiland, die appellant weigerde vanwege overlast.
In juli 2021 verleende het college opnieuw een urgentieverklaring met dezelfde voorwaarden, maar met uitsluiting van Kanaleneiland als zoekgebied. Appellant accepteerde onder protest een woning in Transwijk. Hij maakte bezwaar tegen het besluit, dat door het college en later door de rechtbank werd afgewezen.
De Raad van State oordeelt dat appellant onvoldoende nieuwe gronden heeft aangevoerd om het eerdere oordeel te weerleggen. De urgentieverklaring is bedoeld om uitstroom uit noodopvang mogelijk te maken, waarbij verdere doorstroming naar een passendere woning via andere urgentieverklaringen mogelijk is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.