ECLI:NL:RVS:2024:3538
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen inreisverbod en vertrekopdracht vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 27 februari 2024 aan de vreemdeling een vertrekopdracht gegeven om de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 18 juni 2024 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep heeft de vreemdeling niet toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, waardoor de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kon geven. Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 is het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 augustus 2024. Hiermee is het hoger beroep definitief afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd betoog.