ECLI:NL:RVS:2024:3596
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning voor verbouwing monumentaal pand ondanks bezwaren omwonenden
Het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal verleende op 23 april 2020 een omgevingsvergunning aan de vergunninghoudster voor het inpandig verbouwen van aanbouwen van een monumentale villa tot 21 woonappartementen, inclusief enkele dakterrassen en aanpassingen aan de entree. De vergunning werd verleend ondanks dat het bestemmingsplan geen woondoeleinden toestaat, met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 2.12 van de Wabo.
Appellanten, omwonenden van het pand, voerden aan dat de onderliggende koopovereenkomst tussen de gemeente en vergunninghoudster nietig is vanwege een te lage verkoopprijs en onvoldoende informatie aan de gemeenteraad. Ook betoogden zij dat het college misbruik maakte van bevoegdheid door af te wijken van het bestemmingsplan en dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit vanwege te kleine bergingen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bestuursrechter niet bevoegd is om de nietigheid van de koopovereenkomst te beoordelen en dat de vergunningverlening rechtmatig is. Het college heeft geen misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid en mocht afwijken van het bestemmingsplan. De bezwaren over het bouwbesluit werden afgewezen omdat deze regels niet streken tot bescherming van de belangen van de appellanten. Ook werd geoordeeld dat het college niet verplicht was om bepaalde mailcorrespondentie te overleggen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Afdeling stelde dat het college bij de vergunningverlening zorgvuldig heeft gehandeld en dat de belangen van omwonenden niet zodanig worden geschaad dat vernietiging van het besluit gerechtvaardigd is.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning bevestigd.