AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij niet tijdig besluit CBR rijgeschiktheid
Verzoekster heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het CBR op haar aanvraag voor een verklaring van rijgeschiktheid. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Verzoekster stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen die het CBR zou verplichten haar rijgeschikt te verklaren.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek en overwoog dat een verzoek om voorlopige voorziening volgens artikel 8:81, eerste lid, Awb betrekking moet hebben op het materiële geschil over het besluit dat voorligt, het zogenoemde materiële connexiteitsvereiste. Het verzoek van verzoekster om het CBR te verplichten haar rijgeschikt te verklaren, stond te ver af van het geschil in het hoger beroep, dat uitsluitend ging over het niet tijdig nemen van een besluit.
Daarom werd het verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter benadrukte dat zijn oordeel voorlopig is en niet bindend in de bodemprocedure. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van materiële connexiteit met het geschil over niet tijdig besluit.
Uitspraak
202404648/2/A2.
Datum uitspraak: 10 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 29 februari 2024 in zaken nrs. 23/6903 en 23/6904 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Procesverloop
[verzoekster] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van rijgeschiktheid.
Bij uitspraak van 29 februari 2024 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, dit beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 september 2024, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Gelet op wat is bepaald in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, dient een verzoek om voorlopige voorziening betrekking te hebben op het materiële geschil over het besluit dat voorligt. Uit de functie van voormeld artikel vloeit voort dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken, betrekking moet hebben op de inhoud van het in geding zijnde besluit. Dit wordt het materiële connexiteitsvereiste genoemd.
3. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het CBR haar rijgeschikt moet verklaren.
4. De voorliggende procedure heeft uitsluitend betrekking op de vraag of het CBR tijdig op de aanvraag van [verzoekster] tot het verkrijgen van een verklaring van rijgeschiktheid heeft beslist. De gevraagde voorlopige voorziening staat in een te ver verwijderd verband met het in de bodemprocedure voorliggende materiële geschil. Het verzoek valt daarom buiten het bereik van het in hoger beroep aan de orde gestelde niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat niet is voldaan aan het materiële connexiteitsvereiste.
5. Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.
6. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.