ECLI:NL:RVS:2024:366
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring hoger beroep tegen vaststelling wettelijke rente door college Oss
Het college van burgemeester en wethouders van Oss stelde bij brief van 2 juni 2020 de aan appellante verschuldigde wettelijke rente vast over bedragen die voortvloeiden uit eerdere uitspraken van de rechtbank. Appellante betwistte de berekening en stelde dat de rente bij besluit had moeten worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing over de rente in twee zaken en verklaarde het beroep in een derde zaak ongegrond omdat appellante onvoldoende onderbouwing gaf.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij benadeeld was door een verwisseling van voorletters in de processtukken, dat de rechtbank ten onrechte onbevoegd was verklaard en dat zij recht had op meer rente en vergoeding van proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante niet benadeeld was en dat de rechtbank terecht onbevoegd was verklaard voor de executiegeschillen, die aan de burgerlijke rechter toekomen.
De Afdeling bevestigde dat de wettelijke rente over de dwangsom een bestuurlijke geldvordering betreft waarover de bestuursrechter wel bevoegd is, maar dat de berekening daarvan niet onjuist was gebleken. Vergoeding van verletkosten en rechtsbijstand werd afgewezen wegens ontbreken van aanwezigheid en bewijs van rechtsbijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.