ECLI:NL:RVS:2024:366

Raad van State

Datum uitspraak
31 januari 2024
Publicatiedatum
31 januari 2024
Zaaknummer
202204952/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:76 AwbArt. 6:22 AwbArt. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring hoger beroep tegen vaststelling wettelijke rente door college Oss

Het college van burgemeester en wethouders van Oss stelde bij brief van 2 juni 2020 de aan appellante verschuldigde wettelijke rente vast over bedragen die voortvloeiden uit eerdere uitspraken van de rechtbank. Appellante betwistte de berekening en stelde dat de rente bij besluit had moeten worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing over de rente in twee zaken en verklaarde het beroep in een derde zaak ongegrond omdat appellante onvoldoende onderbouwing gaf.

Appellante stelde in hoger beroep dat zij benadeeld was door een verwisseling van voorletters in de processtukken, dat de rechtbank ten onrechte onbevoegd was verklaard en dat zij recht had op meer rente en vergoeding van proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante niet benadeeld was en dat de rechtbank terecht onbevoegd was verklaard voor de executiegeschillen, die aan de burgerlijke rechter toekomen.

De Afdeling bevestigde dat de wettelijke rente over de dwangsom een bestuurlijke geldvordering betreft waarover de bestuursrechter wel bevoegd is, maar dat de berekening daarvan niet onjuist was gebleken. Vergoeding van verletkosten en rechtsbijstand werd afgewezen wegens ontbreken van aanwezigheid en bewijs van rechtsbijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202204952/1/A2.
Datum uitspraak: 31 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Oss,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 22 juni 2022 in zaak nr. 20/3176 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college)
Procesverloop
Bij brief van 2 juni 2020 heeft het college de aan [appellante] verschuldigde wettelijke rente vastgesteld.
Bij uitspraak van 22 juni 2022, gerectificeerd op 20 september 2022, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep van [appellante] voor zover dit ziet op de zaken 16/3090 en 17/1653 en het beroep, voor zover dit ziet op zaak 19/567, ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 december 2023, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. H.W.J. Staassen, zijn verschenen.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
1.       Bij uitspraken van de rechtbank van 24 januari 2017 in zaak 16/3090 en van 11 oktober 2017 in zaak 17/1653 heeft de rechtbank het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van het door [appellante] betaalde griffierecht. Bij uitspraak van 18 juli 2019 in zaak 19/567 heeft de rechtbank een dwangsom vastgesteld.
2.       Bij brief van 12 mei 2020 heeft [appellante] verzocht tot uitbetaling van wettelijke rente over de bedragen die bij de uitspraken zijn vastgesteld.
3.       Bij brief van 2 juni 2020 heeft het college de aan [appellante] verschuldigde wettelijke rente (in totaal € 14,-) vastgesteld over de op 17 juli 2017, 2 januari 2019 en 4 september 2019 uitbetaalde bedragen.
4.       Bij brief van 3 juli 2020 heeft [appellante] het college bericht dat de wettelijke rente onjuist is berekend en dat de wettelijke rente bij besluit had moeten worden vastgesteld.
5.       Op 15 september 2020 heeft [appellante] het college in gebreke gesteld voor het niet nemen van nieuwe besluiten.
6.       [appellante] heeft op 12 november 2020 bij de rechtbank beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen.
Uitspraak van de rechtbank
7.       De rechtbank heeft zich op grond van artikel 8:76 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onbevoegd verklaard om van het beroep van [appellante] kennis te nemen tegen het niet nemen van een beslissing over de te vergoeden rente in zaken 16/3090 en 17/1653. In zaak 19/567 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen de vastgestelde rente over een verschuldigde dwangsom ongegrond verklaard. Het college had in deze zaak de wettelijke rente niet bij beschikking maar bij brief vastgesteld. Dit formele gebrek heeft de rechtbank met inachtneming van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat [appellante] niet heeft onderbouwd waarom het bedrag aan wettelijke rente onjuist is.
Betoog in hoger beroep
8.       [appellante] betoogt dat zij door de verwisseling van voorletters ([…] in plaats van [appellante]) op de uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank van 14 juni 2022 en op de begeleidende brief bij de uitspraak van de rechtbank is benadeeld.
9.       [appellante] betoogt verder dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om van haar beroep tegen het niet-tijdig vaststellen van de wettelijke rente naar aanleiding van zaken 16/3090 en 17/1653 kennis te nemen.
10.     Ook is [appellante] van mening dat zij naar aanleiding van zaak 19/567 meer wettelijke rente moet ontvangen, omdat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb pas de eigenlijke beslissing heeft genomen.
11.     Tot slot heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte de verletkosten voor het bijwonen van de zitting van 14 juni 2022 niet meegenomen. Daarnaast heeft zij recht op een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, aldus [appellante].
Oordeel van de Afdeling
12.     Niet valt in te zien dat [appellante] is benadeeld door de verwisseling van voorletters. [appellante] heeft de aangetekende uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank op 4 juni 2022 in ontvangst genomen. Na ontvangst van de uitspraak van de rechtbank op 5 augustus 2022 heeft [appellante] op 10 augustus 2022 tijdig hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.
13.     In de uitspraken van 24 januari 2017 (zaak 16/3090) en van 11 oktober 2017 (zaak 17/1653) heeft de rechtbank het college veroordeeld tot het betalen van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft zich in de uitspraak van 22 juni 2022 onder verwijzing naar artikel 8:76 van Pro de Awb terecht onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van [appellante] tegen het niet tijdig nemen van een beslissing over de verschuldigde wettelijke rente over de proceskosten en het griffierecht. De uitspraken van de rechtbank van 24 januari 2017 en 11 oktober 2017 leveren een executoriale titel op en geschillen over de executie behoren, gelet op artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aan de burgerlijke rechter te worden voorgelegd. Dat [appellante] dit een onjuiste gang van zaken vindt, kan niet tot een ander oordeel leiden.
14.     In de uitspraak van 18 juli 2019 (zaak 19/567) heeft de rechtbank een dwangsom van € 160,- vastgesteld. De wettelijke rente over de dwangsom is een bestuurlijke geldvordering waarop titel 4.4 van de Awb van toepassing is en waarover de rechtbank wel bevoegd is te oordelen.
15.     In de brief van 2 juni 2020 heeft het college vermeld dat de wettelijke rente over de opgelegde dwangsom vanaf 31 augustus 2019 € 0,04 bedraagt en op 4 september 2019 is overgemaakt. Niet is gebleken dat de berekening van de wettelijke rente in de brief van 2 juni 2020 onjuist is. [appellante] heeft geen belang bij haar betoog dat de eigenlijke beslissing over de hoogte van de verschuldigde wettelijke rente pas na toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb door de rechtbank is genomen en dat zij daarom recht heeft op een hogere vergoeding voor de wettelijke rente.
16.     [appellante] heeft geen recht op vergoeding van de verletkosten voor de zitting bij de rechtbank op 14 juni 2022. Zij was niet aanwezig op die zitting. Zij heeft ook geen recht op een proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand. Niet is gebleken dat [appellante] zich in de procedure bij de rechtbank heeft laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener.
17.     Het betoog slaagt niet.
Conclusie
18.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
19.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Planken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024
299-1067