ECLI:NL:RVS:2024:3741
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
De vreemdeling, een 39-jarige vrouw uit Indonesië, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om bij haar minderjarige dochter en partner in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling was gemaakt en vernietigde het besluit.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn verweerschrift, waarin hij het BIC-rapport betwistte. Dit rapport stelde dat de dochter ontwikkelingsschade zou oplopen bij terugkeer naar Indonesië. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank deze argumenten niet had betrokken, terwijl het BIC-rapport aannames bevatte die niet met stukken waren onderbouwd.
De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard omdat het geen nieuwe relevante rechtsvragen bevatte. Het beroep van de vreemdeling werd alsnog ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.