ECLI:NL:RVS:2024:3778

Raad van State

Datum uitspraak
23 september 2024
Publicatiedatum
20 september 2024
Zaaknummer
202203412/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf onder jongvolwassenenbeleid

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 21 februari 2020 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 11 november 2021 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 10 mei 2022 eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep betoogde de vreemdeling dat de minister een te strakke leeftijdsgrens had gehanteerd bij de beoordeling onder het jongvolwassenenbeleid. De Raad van State verwijst naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2024:2146) waarin is bepaald dat de minister niet alleen op leeftijd mag afgaan, maar een op het geval toegespitste beoordeling moet maken. De Raad constateert dat de minister dit heeft gedaan door de omstandigheden van de vreemdeling mee te wegen en niet uitsluitend op leeftijd te baseren.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister een juiste beoordeling heeft gemaakt en dat er geen verdere motivering nodig is omdat het hoger beroep geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf bevestigd.

Uitspraak

202203412/1/V2.
Datum uitspraak: 23 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 10 mei 2022 in zaak nr. NL21.18357 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 11 november 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 mei 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.W. van de Wege, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling betoogt in de eerste grief dat de minister in het besluit een te strakke leeftijdsgrens heeft gehanteerd. Uit de uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2146, onder 11.1, volgt dat de minister bij de beoordeling of een vreemdeling onder het jongvolwassenenbeleid valt, niet mag volstaan met een enkele verwijzing naar de leeftijd, maar steeds een op het geval toegespitste beoordeling moet maken en daarbij alle van belang zijnde aspecten kenbaar mee moet wegen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de besluitvorming volgt dat de minister aan de hand van de omstandigheden die de vreemdeling heeft aangevoerd, heeft beoordeeld of zij als jongvolwassene moet worden aangemerkt. Daarbij heeft hij niet slechts op haar leeftijd gewezen, maar een op het geval toegespitste beoordeling gemaakt.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024
915-1021