Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde op 4 juni 2020 twaalf exploitatievergunningen voor passagiersvervoer van Flagship Amsterdam B.V. van onbepaalde naar bepaalde tijd. Deze besluiten betroffen vaartuigen met verschillende einddata tussen 2024 en 2030. Flagship maakte bezwaar tegen deze wijzigingsbesluiten, die door het college ongegrond werden verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van Flagship tegen deze besluiten ongegrond, waarna Flagship hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling behandelde deze zaak samen met 50 vergelijkbare zaken en oordeelde in een gelijktijdige uitspraak dat een deel van de algemene gronden slaagt, waardoor de wijzigingsbesluiten in alle zaken moeten worden herroepen. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college van 29 december 2020, herroept de besluiten van 4 juni 2020 en vernietigt tevens de besluiten van 22 april 2024 waarin de einddata van de vergunningen werden verlengd.
De oorspronkelijke exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd gelden daarmee weer. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Flagship, inclusief kosten van professionele rechtsbijstand en griffierecht. De Afdeling bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, waarmee de procedure definitief wordt afgerond.
Uitkomst: De besluiten van het college die de exploitatievergunningen wijzigden worden herroepen en de oorspronkelijke vergunningen voor onbepaalde tijd gelden weer.
Uitspraak
202201777/1/A3.
Datum uitspraak: 25 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Flagship Amsterdam B.V., gevestigd te Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2022 in zaak nr. 21/781 in het geding tussen:
Flagship
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij twaalf besluiten van 4 juni 2020 heeft het college exploitatievergunningen voor passagiersvervoer van Flagship gewijzigd in exploitatievergunningen voor bepaalde tijd (hierna ook: de wijzigingsbesluiten).
Bij afzonderlijk besluit van 4 juni 2020 heeft het college op verzoek van Flagship de einddata van het aflopen van de exploitatievergunningen van de verschillende vaartuigen opnieuw vastgesteld.
Bij besluit van 29 december 2020 heeft het college de door Flagship daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 februari 2022 heeft de rechtbank het door Flagship daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Flagship hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluiten van 22 april 2024 heeft het college de einddatum van de exploitatievergunningen die zouden verlopen op 1 maart 2026, 1 maart 2028 of 1 maart 2030 verlengd tot 1 maart 2028, 1 maart 2030 of 1 maart 2032.
Flagship heeft gronden ingediend tegen die besluiten.
De Afdeling heeft de zaak, met 50 andere zaken zoals vermeld in bijlage 1, ter zitting behandeld op 5 juni 2024, waar Flagship, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. Monster, rechtsbijstandverlener te Leiderdorp, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. A.D. Röell, advocaten te Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Flagship had twaalf exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd voor de vaartuigen Anne Bonney, Apsara, Barracuda, Flagship, Freewilly, Green Marine, Lucky Stripper, Manhattan, Meike (voorheen: Dutchman), Nomag, Rosalie en Vörding. Bij de besluiten van 4 juni 2020 heeft het college deze exploitatievergunningen gewijzigd in vergunningen voor bepaalde tijd. De exploitatievergunningen verliepen of verlopen op 1 maart 2024, 1 maart 2026, 1 maart 2028 of 1 maart 2030.
1.1. Het college heeft bij besluit van 4 juni 2020 op verzoek van Flagship de rangschikking op grond waarvan is bepaald wanneer de exploitatievergunningen aflopen gewijzigd. Dat houdt in dat de exploitatievergunningen voor de volgende vaartuigen aflopen of afliepen op de hierna genoemde data:
- Anne Bonney - 1 maart 2024;
- Apsara - 1 maart 2028;
- Barracuda - 1 maart 2028;
- Flagship - 1 maart 2030;
- Freewilly - 1 maart 2028;
- Green Marine - 1 maart 2028;
- Lucky Stripper - 1 maart 2030;
- Manhattan - 1 maart 2024;
- Meike - 1 maart 2026;
- Nomag - 1 maart 2030;
- Rosalie - 1 maart 2024;
- Vörding - 1 maart 2028.
1.2. Bij besluit van 22 april 2024 heeft het college de exploitatievergunningen voor de vaartuigen Apsara, Barracuda, Flagship, Freewilly, Green Marine, Lucky Stripper, Meike, Nomag en Vörding verlengd met twee jaar. Volgens het college is het niet mogelijk om binnen de resterende tijd een zorgvuldige uitgifteronde voor de tranche 2026 te organiseren. Het college heeft daarom besloten de geplande uitgifterondes voor nieuwe vergunningen per 1 maart 2026, 2028 en 2030 uit te stellen met twee jaar.
2. Flagship is een van de reders die een bestuursrechtelijke procedure is begonnen tegen de wijziging van een exploitatievergunning voor de passagiersvaart van onbepaalde naar bepaalde tijd. Bij de Afdeling zijn hierover 51 zaken aanhangig. Deze zaken bevatten veel nagenoeg gelijkluidende gronden van algemene aard. De Afdeling heeft er daarom, net als de rechtbank, voor gekozen om deze zaken gelijktijdig op een zitting te behandelen en de algemene gronden in één uitspraak te beoordelen. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:3732, is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat een deel van de algemene gronden slaagt, wat ertoe leidt dat in alle 51 zaken de wijzigingsbesluiten moeten worden herroepen. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar die uitspraak.
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 december 2020 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 4 juni 2020 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
4. De besluiten van 22 april 2024 worden, gelet op artikel 6:24 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Nu met de herroeping van de besluiten van 4 juni 2020 aan deze besluiten de grondslag is komen te ontvallen, zal de Afdeling deze besluiten eveneens vernietigen.
5. Dit betekent dat de eerder voor onbepaalde tijd aan Flagship verleende exploitatievergunningen weer gelden.
6. Het college moet de proceskosten van Flagship vergoeden. Deze bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De gemachtigde heeft in deze zaak en de zaken nrs. 202201765/1/A3, 202201766/1/A3, 202201778/1/A3, 202201779/1/A3, 202201780/1/A3, 202201781/1/A3, 202201783/1/A3, 202201785/1/A3, 202201786/1/A3, 202201788/1/A3, 202201829/1/A3, 202201834/1/A3 en 202201941/1/A3, in bezwaar, beroep en hoger beroep nagenoeg gelijkluidende stukken ingediend. Ook zijn de zaken gelijktijdig ter zitting behandeld. Dit zijn daarom samenhangende zaken in de zin van artikel 3 vanPro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand als één zaak beschouwd, waarbij wegingsfactor 1,5 wordt toegepast omdat het er meer dan vier zijn (onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht). De vergoeding moet in zoverre worden verdeeld over deze veertien appellanten.
In deze zaak en de zaken nrs. 202201765/1/A3, 202201779/1/A3, 202201780/1/A3, 202201781/1/A3, 202201783/1/A3, 202201785/1/A3, 202201786/1/A3, 202201788/1/A3, 202201829/1/A3, 202201834/1/A3, 202201941/1/A3, 202202139/1/A3 en 202202163/1/A3 heeft de gemachtigde nagenoeg gelijkluidende stukken ingediend tegen de besluiten van 22 april 2024 waarbij de einddatum van de exploitatievergunningen is verlengd. Ook hiervoor geldt dat dit samenhangende zaken zijn, waarbij wegingsfactor 1,5 wordt toegepast omdat het er meer dan vier zijn. De vergoeding moet in zoverre worden verdeeld over deze veertien appellanten.
Gelet op de omvang en complexiteit van de zaken bestaat verder aanleiding met betrekking tot de proceskosten een additionele wegingsfactor van 1,5 toe te passen (onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht).
De vergoeding waar Flagship op basis van deze berekening recht heeft, staat hierna in de beslissing.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2022 in zaak nr. 21/781;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 29 december 2020, kenmerk: DJ.20.011483.001;
V. herroept de besluiten van 4 juni 2020, kenmerken: WN2019-006073, WN2019-006125, WN2019-006131, WN2019-006201, WN2019-006202, WN2019-006203, WN2019-006227, WN2019-006291, WN2019-006293, WN2019-006617, WN2019-006742 en WN2019-007912;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 22 april 2024, kenmerken: NT2024-001029, NT2024-001035, NT2024-001098, NT2024-001104, NT2024-001110, NT2024-001165, NT2024-001174, NT2024-001192 en NT2024-001277;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Flagship Amsterdam B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.265,62, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Flagship Amsterdam B.V. in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van 175,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Flagship Amsterdam B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 908,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.