AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening en schadevergoeding inzake beslissing Radboud Universiteit
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 25 september 2024 uitspraak gedaan over het verzoek van een verzoeker tot herziening van een eerdere uitspraak van 17 juli 2024, waarin het beroep tegen de beslissing van het college van bestuur van de Radboud Universiteit ongegrond was verklaard.
De verzoeker stelde dat hij vrijstelling genoot voor de deadline van 1 juni 2023 voor het inleveren van documenten en dat alleen de universiteit zijn verblijfsvergunning kon aanvragen. Deze feiten waren echter reeds bekend en beoordeeld in de eerdere uitspraak, waardoor het verzoek om herziening niet ontvankelijk is omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
Daarnaast verzocht de verzoeker om schadevergoeding, maar aangezien de beslissing van het college niet onrechtmatig werd bevonden en geen van de wettelijke voorwaarden voor schadevergoeding waren vervuld, werd ook dit verzoek afgewezen.
De Afdeling bevestigt hiermee de eerdere uitspraak en benadrukt dat een verzoek om herziening een buitengewoon rechtsmiddel is dat niet kan worden gebruikt om een geschil opnieuw in volle omvang voor te leggen.
Uitkomst: Het verzoek om herziening en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
Uitspraak
202404565/1/A2.
Datum uitspraak: 25 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2900.
Procesverloop
Bij uitspraak van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2900) heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van het college van bestuur van de Radboud Universiteit (hierna: het college) ongegrond verklaard.
[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Tevens heeft hij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.
[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 29 augustus 2024 waar [verzoeker] is verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"1. De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
[…]"
2. Een verzoek om herziening is een buitengewoon rechtsmiddel dat slechts kan worden ingeroepen indien voor de zaak relevante feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak, maar op dat moment niet bekend waren en konden zijn, alsnog bekend worden. [verzoeker] heeft dergelijke feiten en omstandigheden niet naar voren gebracht. Hij voert in zijn verzoek aan dat hij vrijstelling genoot voor de deadline op 1 juni 2023 voor het inleveren van de benodigde documenten en dat alleen de universiteit zijn verblijfsvergunning kon aanvragen en hij niet. Dat is ook wat hij in beroep heeft aangevoerd en waarover de Afdeling in de uitspraak van 17 juli 2024 een oordeel heeft gegeven. Het verzoek van [verzoeker] komt er in de kern dus op neer dat hij het niet eens is met de beslissing van de Afdeling en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Met een verzoek om herziening kan het geschil waarin eerder onherroepelijk is beslist niet opnieuw in volle omvang aan de rechter worden voorgelegd.
3. Het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4. Ten aanzien van het verzoek van [verzoeker] om schadevergoeding overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling heeft in de uitspraak van 17 juli 2024 geoordeeld dat de beslissing van het college niet onrechtmatig was. Door de afwijzing van het verzoek om herziening blijft dat oordeel in stand. Omdat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, moet het verzoek van [verzoeker] reeds daarom worden afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek om herziening af;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.