Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2024:4001

Raad van State

Datum uitspraak
26 september 2024
Publicatiedatum
3 oktober 2024
Zaaknummer
202300451/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbOmgevingswetInvoeringswet OmgevingswetBeleidsregel planologische afwijkingsmogelijkheden (kruimelgevallen), 3e herziening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning verbouwing en uitbreiding pand Valkenswaard ondanks parkeer- en verkeersbezwaar

Het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard verleende op 10 september 2020 een omgevingsvergunning aan De Klapbrug B.V. voor het verbouwen en uitbreiden van het pand Peperstraat 1 t/m 5a naar negen appartementen. Na een bezwaarprocedure handhaafde het college het besluit op 20 april 2021. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 18 november 2022.

Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat alleen de gronden over parkeerdruk en verkeersveiligheid in behandeling konden worden genomen, omdat andere gronden niet eerder waren aangevoerd en niet in hoger beroep mochten worden ingebracht.

De Afdeling concludeerde dat de verkeersveiligheid niet verslechtert door het besluit, mede omdat de onderdoorgang en de verkeerssituatie ongewijzigd blijven. Ook werd geoordeeld dat de toename van parkeerbehoefte beperkt is en dat een bestaand tekort buiten beschouwing mag blijven. De vermeende privaatrechtelijke belemmering door een erfdienstbaarheid was niet evident.

Daarom kon het beroep niet leiden tot vernietiging van het besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de vergunning voor verbouwing en uitbreiding is bevestigd.

Uitspraak

202300451/1/R2.
Datum uitspraak: 26 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Valkenswaard,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 18 november 2022 in zaak nr. 21/1765 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.
Openbare zitting gehouden op 26 september 2024 om 09:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. D.L. Bolleboom
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. M.Ph.A. Senders;
Het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard, vertegenwoordigd door R. Visser en M.C.L. Walta;
De Klapbrug B.V., vertegenwoordigd door mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg.
====================================
Bij besluit van 10 september 2020 heeft het college aan De Klapbrug B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het pand Peperstraat 1 t/m 5a in Valkenswaard naar negen appartementen.
Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 10 september 2020 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.
In de uitspraak van 18 november 2022 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
De redenen hiervoor zijn als volgt:
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024 van toepassing.
2.       De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] in beroep alleen gronden naar voren heeft gebracht over de parkeerdruk en de verkeersveiligheid. [appellant] heeft verder de rechtbank verzocht zijn bezwaarschrift, dat meer gronden bevatte, als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank heeft daarover echter overwogen dat in het besluit van het college van 20 april 2021 is ingegaan op wat [appellant] in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd, en dat [appellant] in beroep niet heeft aangevoerd waarom de reactie in dat besluit onjuist of onvolledig zou zijn. De rechtbank is daarom alleen ingegaan op de beroepsgronden over verkeersveiligheid en parkeerdruk. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht tot dat oordeel is gekomen.
[appellant] heeft voorts voor het eerst in hoger beroep twee andere gronden naar voren gebracht. Eén daarvan gaat over de omgevingsdialoog. De ander gaat over de toepassing van de hardheidsclausule in de Beleidsregel planologische afwijkingsmogelijkheden (kruimelgevallen), 3e herziening.
[appellant] heeft deze twee nieuwste gronden niet eerder aangevoerd.
In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgronden niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgronden dus niet inhoudelijk bespreken.
3.       Wat de verkeersveiligheid betreft, volgt de Afdeling de rechtbank dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze als gevolg van het besluit verslechtert. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de situatie met de onderdoorgang al bestaat en hetzelfde blijft. Het besluit voorziet in een verbouwing van zeven appartementen en detailhandel naar negen appartementen alsmede na sloop van de daar aanwezige bebouwing, in de aanleg van zeven parkeerplaatsen op het achterterrein. Gelet daarop is niet aannemelijk dat de frequentie van het gebruik daardoor dusdanig zal toenemen ten opzichte van wat reeds volgens het bestemmingsplan was toegestaan, dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat de situatie dat eerst een trottoir moet worden gepasseerd, de situatie eerder veiliger dan onveiliger maakt, omdat het vertrekkende verkeer voldoende zicht heeft op de weg. De voetgangers hebben voldoende zicht op de onderdoorgang.
4.       Wat de parkeergelegenheid betreft heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de toepasselijke rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 12 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2924), eveneens terecht overwogen dat bij het besluit alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan en dat een eventueel bestaand tekort buiten beschouwing mag worden gelaten. [appellant] heeft de berekening van de parkeerbehoefte, waaruit naar voren komt dat als gevolg van het bouwplan sprake is van een lichte afname van het aantal benodigde parkeerplaatsen ten opzichte van de bestaande planologische situatie, niet bestreden.
[appellant] heeft tenslotte gewezen op een bestaande erfdienstbaarheid van overpad ten behoeve van zijn perceel, kadastraal aangeduid als nummer 3757, waarop volgens hem inbreuk wordt gemaakt door de aanwezigheid van de meest oostelijk gelegen parkeerplaats op het perceel, kadastraal aangeduid als nummer 2816, aan de achterzijde van het gebouw, dichtbij de onderdoorgang. De Afdeling is gelet op wat ter zitting is vastgesteld, van oordeel dat de gestelde belemmering niet zodanig is, dat deze een evidente privaatrechtelijke belemmering vormt met betrekking tot de realisering van zeven parkeerplaatsen aan de achterzijde van het perceel.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat wat [appellant] heeft betoogd over de parkeerbehoefte niet kan leiden tot vernietiging van het besluit van 20 april 2021.
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bolleboom
griffier
641