AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaren tegen eis verklaring omtrent gedrag in Kiesreglement wijkraden Rotterdam
Bij besluiten van 21 april 2022 heeft de raad van de gemeente Rotterdam de bezwaren van appellanten tegen het opnemen van de eis van een verklaring omtrent gedrag in artikel 23 vanPro het Kiesreglement wijkraden 2022 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 27 juli 2023 deze beroepen ongegrond verklaard.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat de uitspraak van de rechtbank niet coherent was en dat de hoorplicht was geschonden. Tijdens de zitting hebben zij deze gronden ingetrokken. Verder stelden zij dat de besluiten gebrekkig waren omdat het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie niet was meegestuurd en dat voor een appellant geen beslissing was genomen. Deze gronden waren grotendeels herhalingen van eerdere betogen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de rechtbank gemotiveerd op deze gronden is ingegaan en dat appellanten geen nieuwe redenen hebben aangevoerd om het oordeel van de rechtbank aan te tasten. De raad heeft het besluit alsnog gemotiveerd door het advies op 2 mei 2022 toe te zenden, waarna appellanten de gelegenheid hadden om hun beroepsgronden aan te vullen, maar dit niet hebben gedaan.
Ten slotte bracht appellanten op de zitting een nieuw betoog over het ontbreken van een wettelijke grondslag voor artikel 23 vanPro het Kiesreglement naar voren, waarop de raad niet adequaat kon reageren. Dit betoog blijft daarom buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
202305443/1/A2
Datum uitspraak: 30 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], allen wonend in Rotterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2023 in zaak nr. 22/3464 in het geding tussen:
appellanten
en
de raad van de gemeente Rotterdam (hierna: de raad)
Openbare zitting gehouden op 30 september 2024 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. J.M. Willems
Griffier: mr. T. van Goeverden-Clarenbeek
Jurist: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
appellanten, vertegenwoordigd door [appellant A], met een digitale verbinding;
de raad, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 27 juli 2023 van de rechtbank Rotterdam.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
Bij onderscheiden besluiten van 21 april 2022 heeft de raad de bezwaren van appellanten tegen het opnemen van de eis van een verklaring omtrent gedrag in artikel 23 vanPro het Kiesreglement wijkraden 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 27 juli 2023 heeft de rechtbank de hiertegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
In hoger beroep voeren appellanten aan dat de uitspraak van de rechtbank niet coherent is, omdat de rechtbank in een brief van 3 juli 2023 heeft vermeld dat eerst de bezwaarprocedure moet worden gevolgd. Ook betogen appellanten dat de hoorplicht is geschonden. De Afdeling stelt vast dat appellanten deze gronden op de zitting hebben ingetrokken.
Verder betogen appellanten dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de besluiten van 21 april 2022 gebrekkig zijn, aangezien de raad het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie niet met het besluit heeft meegestuurd. Ook betogen appellanten dat de raad ten aanzien van het bezwaar van [appellant E] geen beslissing heeft genomen. De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2.1 tot en met 2.3 en 3.1 tot en met 3.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaraan voegt zij nog toe dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de raad de besluiten van 21 april 2022 met het toezenden van het advies op 2 mei 2022 alsnog heeft gemotiveerd. Daarmee is sprake van een gemotiveerd besluit waartegen appellanten binnen de beroepstermijn gronden hadden kunnen aanvoeren. Zij hadden weliswaar al vóór die datum pro forma beroep ingesteld, maar zij hebben na ontvangst van het advies de beroepsgronden niet aangevuld ondanks dat zij hiertoe de gelegenheid hadden.
Op de zitting hebben appellanten verder de vraag aan de orde gesteld of artikel 23 vanPro het Kiesreglement wijkraden 2022 een wettelijke grondslag heeft. De Afdeling laat, gelet op de summiere passage in het pro-forma beroepsschrift, in het midden of appellanten dit in beroep reeds hebben aangevoerd. Zij stelt vast dat dit betoog in ieder geval niet in het aanvullende beroepschrift is vermeld en dat de rechtbank er ook geen oordeel over heeft gegeven. Zij stelt verder vast dat appellanten het betoog in hoger beroep vervolgens pas op de zitting bij de Afdeling naar voren hebben gebracht. De raad heeft door de late inbreng van deze grond hierop niet adequaat kunnen reageren. Deze hogerberoepsgrond blijft daarom vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.
Het hoger beroep is ongegrond. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.