ECLI:NL:RVS:2024:4051

Raad van State

Datum uitspraak
30 september 2024
Publicatiedatum
9 oktober 2024
Zaaknummer
202306086/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over niet-tijdige beslissing CBR en ingebrekestelling

De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het besluit van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2023, waarin het beroep tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) ongegrond werd verklaard. Appellant stelde dat het CBR niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een vrijstelling van de module ‘Personeelsmanagement’ en dat hij al op 14 oktober 2021 een ingebrekestelling had verzonden, waardoor het CBR een hogere dwangsom had moeten betalen.

Het CBR handhaafde zijn standpunt dat de ingebrekestelling pas op 29 april 2022 was ontvangen. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de ingebrekestelling daadwerkelijk op 14 oktober 2021 was verzonden, mede omdat de verzendbewijzen niet overtuigend waren en de hoorplicht niet was geschonden.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar voerde geen nieuwe gronden aan die het oordeel van de rechtbank konden ondermijnen. De Afdeling bestuursrechtspraak onderschreef de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202306086/1/A2.
Datum uitspraak: 30 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2023 in zaak nr. 22/4872 in het geding tussen:
[appellant]
en
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).
Openbare zitting gehouden op 30 september 2024 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. J.M. Willems
Griffier: mr. T. van Goeverden-Clarenbeek
Jurist: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
[appellant], met een digitale verbinding;
CBR, vertegenwoordigd door mr. A.I.H. Smit en mr. R. Rodenrijs.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 9 augustus 2023 van de rechtbank Rotterdam.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
De achtergrond van het geschil is dat CBR volgens [appellant] ook na in gebreke te zijn gesteld niet-tijdig heeft beslist op zijn aanvraag om een vrijstelling van de module ‘Personeelsmanagement’. [appellant] stelt dat hij al op 14 oktober 2021 een ingebrekestelling heeft verzonden, zodat CBR hem een hogere dwangsom had moeten betalen.
Bij besluit op bezwaar van 22 september 2022 heeft CBR zijn standpunt gehandhaafd dat het de ingebrekestelling pas op 29 april 2022 heeft ontvangen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 augustus 2023 het door [appellant] tegen het besluit van 22 september 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom, zakelijk weergegeven, a) geen sprake is van schending van de hoorplicht, en b) dat en waarom [appellant] met de verzendbewijzen van de niet aangetekend verzonden en niet nader omschreven poststukken aan CBR, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling van 14 oktober 2021 aan CBR is verzonden.
[appellant] voert in hoger beroep aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij met de door hem overgelegde verzendbewijzen aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 14 oktober 2021 een ingebrekestelling heeft verzonden. Verder betoogt [appellant] opnieuw dat CBR de hoorplicht heeft geschonden. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft op de zitting van de Afdeling ook desgevraagd geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn, anders dan dat hij het met die uitspraak niet eens is en dat hij de gang van zaken rondom het telefonisch horen niet chic vindt. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan, onder overwegingen 3.1, 3.2 en 4.2. en ziet geen aanleiding om anders te oordelen.
Het hoger beroep is ongegrond. CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
488-1067