ECLI:NL:RVS:2024:4196
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring inzageverzoek persoonsgegevens door minister van Defensie
Het hoger beroep betreft een zaak waarin appellant bezwaar maakte tegen de afwijzing van zijn verzoek om inzage van zijn persoonsgegevens door de minister van Defensie. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van de minister van 11 november 2021, waarin het bezwaar tegen het eerdere besluit van 4 juni 2021 werd afgewezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij mondelinge uitspraak op 9 oktober 2024 het hoger beroep behandeld. De Afdeling deelt de visie van de rechtbank dat het verzoek van appellant als een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) moet worden beschouwd. Tevens oordeelt de Afdeling dat de minister in het besluit van 4 juni 2021 rechtsgeldig heeft beslist op het verzoek.
De argumenten van appellant in hoger beroep bieden geen grond voor het oordeel dat het besluit onjuist zou zijn. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt daarmee het bestreden uitspraak. De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.