ECLI:NL:RVS:2024:4242
Raad van State
- Hoger beroep
- P.H.A. Knol
- J.M.L. Niederer
- M.M. Kaajan
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing handhaving en intrekking last onder dwangsom bouw mantelzorgwoning
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel legde op 27 mei 2021 een last onder dwangsom op om de bouw van een mantelzorgwoning op het perceel van partij B stil te leggen. Partij A en anderen maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard, terwijl het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar van partij A en anderen gegrond was en vernietigde het besluit, maar verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het college niet verplicht was om op alle argumenten van appellante in te gaan en bevestigde dat het college bevoegd was tot handhaving vanwege de overtreding. De Afdeling oordeelde dat de gerechtvaardigde verwachting van partij A en anderen dat de mantelzorgwoning vergunningvrij mocht worden gebouwd, gebaseerd op uitlatingen van gemeenteambtenaren, terecht was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde daarom.
Vervolgens trok het college het besluit van 27 mei 2021 in, omdat er concreet zicht op legalisatie bestond door de splitsing van de woonboerderij in twee zelfstandige woningen. Appellante voerde aan dat dit zicht op legalisatie niet bestond en dat de mantelzorgwoning niet vergunningvrij mocht worden gebouwd. De Afdeling verwierp deze bezwaren, onder meer omdat een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage lag en de mantelzorgbehoefte was aangetoond met medische verklaringen. Het hoger beroep tegen het intrekkingsbesluit werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het intrekkingsbesluit is ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraken bevestigd.