ECLI:NL:RVS:2024:4260
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bewonersparkeervergunning ondanks toezeggingen gemeente
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag van een bewonersparkeervergunning af omdat het vergunningenplafond op nul was gesteld in het betreffende gebied. De aanvrager had vooraf telefonisch van medewerkers van de gemeente te horen gekregen dat hij in aanmerking zou komen voor een vergunning. De rechtbank oordeelde dat deze uitlatingen als toezeggingen kwalificeerden en dat het college het vertrouwensbeginsel moest respecteren. Het college moest een nieuw besluit nemen en de aanvrager tijdelijk toestaan zijn auto te parkeren alsof hij een vergunning had.
Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat er geen toezeggingen waren gedaan en dat deze niet aan het college konden worden toegerekend. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde echter de rechtbank en oordeelde dat het college de toezeggingen van zijn medewerkers moet aanvaarden en dat de aanvrager erop mocht vertrouwen. De Afdeling zag geen reden om getuigen te horen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De Afdeling benadrukte dat het college nog een belangenafweging moet maken in het nieuwe besluit, maar dat de meest redelijke uitkomst is dat de vergunning wordt verleend zolang de aanvrager aan de voorwaarden voldoet. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.