ECLI:NL:RVS:2024:4292
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige grensdetentie van Oekraïense vreemdelingen onder Richtlijn tijdelijke bescherming
Op 6 maart 2024 zijn twee Oekraïense vreemdelingen per vliegtuig in Nederland aangekomen, waar zij asiel aan de buitengrens hebben aangevraagd en een beroep deden op de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn tijdelijke bescherming). De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid plaatste hen op diezelfde dag in grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De vreemdelingen stelden in hoger beroep dat deze plaatsing onrechtmatig was omdat zij onder de Richtlijn tijdelijke bescherming vielen, waardoor de grondslag voor grensdetentie niet van toepassing zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dat artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een omzetting is van artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn, die niet geldt wanneer de Richtlijn tijdelijke bescherming van toepassing is.
De Raad van State oordeelde dat de minister Oekraïense vreemdelingen die een beroep doen op de Richtlijn tijdelijke bescherming niet op grond van genoemde wet in grensdetentie mag plaatsen. De grensdetentie was daarom vanaf het begin onrechtmatig. De uitspraken van de rechtbank werden vernietigd, de beroepen gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend. De minister werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraken van de rechtbank en oordeelt dat de grensdetentie van Oekraïense vreemdelingen onrechtmatig was, kent een schadevergoeding toe en veroordeelt de minister tot proceskostenvergoeding.