Op 5 september 2023 heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. De rechtbank verklaarde dit beroep op 17 april 2024 niet-ontvankelijk omdat de minister nog geen besluit had genomen.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in. Vervolgens heeft de minister op 10 september 2024 alsnog een besluit genomen waarbij de aanvraag is ingewilligd en tevens de hoogte en verschuldigdheid van de bestuurlijke en rechterlijke dwangsommen zijn vastgesteld.
Omdat met dit besluit het doel van de procedure is bereikt, heeft de vreemdeling geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het doel van het beroep is bereikt door het besluit van de minister.
Uitspraak
202402965/1/V3.
Datum uitspraak: 24 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 april 2024 in zaak nr. NL23.28150 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Op 5 september 2023 heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 17 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 10 september 2024 heeft de minister de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd en de hoogte en de verschuldigdheid van de bestuurlijke en rechterlijke dwangsommen vastgesteld.
Op verzoek van de Afdeling heeft de vreemdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op haar aanvraag. Dat heeft de minister met het besluit van 10 september 2024 wel gedaan, waarbij de minister ook de hoogte en de verschuldigdheid van de bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld. De vreemdeling heeft met het nieuwe besluit van de minister daarom het doel van deze procedure bereikt. Zij heeft dus geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep. Nu met het besluit van 10 september 2024 geheel tegemoet is gekomen aan wat de vreemdeling met zijn beroep wilde bereiken, is ingevolge artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 vanPro de Awb, geen beroep van rechtswege ontstaan waarop nog moet worden beslist.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.1. De minister moet de in verband met het beroep (een punt voor het beroepschrift) en het hoger beroep (een punt voor het hogerberoepschrift) gemaakte proceskosten vergoeden, omdat hij geheel aan de vreemdeling tegemoetgekomen is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). Omdat daarnaast het beroep en het hoger beroep uitsluitend gaan over het niet tijdig vaststellen van de hoogte en de verschuldigdheid van de bestuurlijke dwangsom, past de Afdeling de wegingsfactor 0,5 toe.
2.2.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.