AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestemmingplanwijziging Boxmeer niet belemmerd door soortenbescherming
Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van de gemeente Land van Cuijk van 29 september 2022, waarbij het bestemmingsplan "[locatie 1] Boxmeer" gewijzigd is vastgesteld. Dit plan maakt de bouw van een vrijstaande woning mogelijk op een onbebouwd deel van het perceel [locatie 2] in Boxmeer.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft beoordeeld of de raad het plan mocht vaststellen ondanks het wettelijke soortenbeschermingsregime. De raad baseerde zich op een onderzoek van 22 december 2020 door M&A Omgeving B.V., waarin veldonderzoeken en literatuurstudies zijn uitgevoerd. Hieruit bleek dat geen belemmeringen voor de plannen bestaan op grond van soortenbescherming.
Hoewel de appellant een eigen onderzoek had laten uitvoeren met kritiek op de methode van M&A Omgeving B.V., bevestigde dit onderzoek grotendeels de conclusies van het eerdere onderzoek. De Raad van State oordeelt dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat het plan uitvoerbaar is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde bestemmingsplan wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
202300331/1/R2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellante], wonend in Boxmeer, gemeente Land van Cuijk,
appellante,
en
de raad van de gemeente Land van Cuijk,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 28 oktober 2024 om 10:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter,
griffier: mr. M. Scheele,
jurist: mr. M. van der Heiden.
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, advocaat in Amsterdam en [gemachtigde A];
De raad, vertegenwoordigd door mr. N.D. Siebers en J. Wijnakker;
[partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde B];
Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van 29 september 2022, waarbij het bestemmingsplan "[locatie 1] Boxmeer" gewijzigd is vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om een vrijstaande woning te bouwen op een thans nog onbebouwd deel van het perceel [locatie 2] in Boxmeer.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Redenen voor dit oordeel:
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 29 september 2022 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit bepalend.
2. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
3. De raad heeft zich op basis van het onderzoek van 22 december 2020 van M&A Omgeving B.V. op het standpunt gesteld dat het aspect flora en fauna op voorhand geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorgenomen initiatief. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op dit standpunt heeft mogen stellen.
Daarbij is van belang dat uit het onderzoek van M&A Omgeving B.V. blijkt dat op de locatie op 8 juni en 21 augustus 2020 veldonderzoeken zijn uitgevoerd door W.A. van Aerle, deskundige op het gebied van flora en fauna en in het bijzonder inheemse zoogdieren en broedvogels. Ook de opstallen op het naastgelegen perceel zijn onderzocht op de aanwezigheid van beschermingswaardige soorten. Daarnaast heeft M&A Omgeving B.V. literatuuronderzoek verricht.
Op grond van deze onderzoeken gelden volgens M&A Omgeving B.V. geen belemmeringen voor de plannen op grond van de soortenbescherming.
4. In het onderzoek dat [appellante] heeft laten uitvoeren wordt weliswaar kritiek geleverd op het onderzoek en de onderzoeksmethode van M&A Omgeving B.V., maar op de meeste punten worden de conclusies van dat onderzoek bevestigd.
5. Over kleine marterachtigen wordt in het onderzoek dat [appellante] heeft laten uitvoeren bijvoorbeeld geconcludeerd dat op basis van het onderzoek van M&A Omgeving B.V. de aanwezigheid van die soorten niet op voorhand is uitgesloten. Dat zegt alleen nog niet dat de raad had moeten concluderen dat de kleine marterachtigen wel aanwezig zijn in het plangebied en ook niet dat de raad had moeten concluderen dat het voorgenomen initiatief op voorhand niet gerealiseerd kan worden.
6. In het onderzoek dat [appellante] heeft laten uitvoeren, wordt voorts twijfel geuit over de vraag of het plangebied als essentieel foerageergebied voor vleermuizen moet worden aangemerkt. Mede gelet op de omstandigheid dat in de bomen in en rondom het plangebied en in de nabijgelegen opstallen geen sporen of mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, geeft deze twijfel geen aanleiding voor de conclusie dat de raad op voorhand had moeten aannemen dat het plangebied als essentieel foerageergebied moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat langs de Sambeekseweg vleermuizen worden gezien, maakt dat niet anders.
7. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op basis van het onderzoek van M&A Omgeving B.V. redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet.
8. Het betoog over Natuurnetwerk Nederland en de bescherming van houtopstanden heeft [appellante] op de zitting ingetrokken.