AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 22 augustus 2024 niet in behandeling is genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 23 september 2024 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De vreemdeling voerde aan dat zij vanwege meerdere lichamelijke en psychische klachten overdracht aan Duitsland onredelijk hard zou treffen. De minister stelde dat Duitsland dezelfde medische voorzieningen biedt als Nederland en dat de benodigde zorg daar beschikbaar en toegankelijk is. Tevens is uitwisseling van medische gegevens mogelijk indien de vreemdeling daarmee instemt.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg in Duitsland ontoereikend is en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitspraak
202406084/1/V2 en 202406084/2/V2.
Datum uitspraak: 31 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 september 2024 in zaak nr. NL24.33127 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 23 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.L.M. Janssen, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Onder verwijzing naar haar in hoger beroep overgelegde patiëntendossier betoogt de vreemdeling in de grief dat zij meerdere lichamelijke en psychische klachten heeft en dat overdracht aan Duitsland daardoor onredelijk hard is. De minister heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat Duitsland dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en dat daarom verwacht mag worden dat de vreemdeling in Duitsland net zo goed behandeld kan worden als in Nederland. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voor haar benodigde zorg in Duitsland niet beschikbaar of toegankelijk is. De minister heeft ook opgemerkt dat, als de vreemdeling daar toestemming voor geeft, er uitwisseling van medische gegevens zal plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland, waardoor de Duitse autoriteiten voor de overdracht over eventuele bijzondere medische behoeften van de vreemdeling kunnen worden geïnformeerd. Het betoog slaagt daarom niet.
1.1. Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.