ECLI:NL:RVS:2024:4518
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over ingangsdatum verblijfsvergunning asiel en declaratoire aard vluchtelingenstatus
De zaak betreft een vreemdeling met de Afghaanse nationaliteit die in 2016 een eerste asielaanvraag indiende, welke werd afgewezen omdat het asielmotief niet werd geloofd. In 2020 diende hij een tweede aanvraag in op grond van zijn homoseksuele geaardheid, welke werd ingewilligd met ingang van 8 september 2020. De vreemdeling verzocht om bestuurlijke heroverweging om de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning terug te laten gaan naar 29 november 2016, de datum van zijn eerste aanvraag.
De rechtbank stelde de vreemdeling in het gelijk en bepaalde de ingangsdatum van de vergunning op 29 november 2016, stellende dat de erkenning van de vluchtelingenstatus declaratoir van aard is en dat de vreemdeling aannemelijk had gemaakt dat hij destijds al homoseksueel was, hoewel hij dat toen niet durfde te verklaren.
De minister stelde hoger beroep in en betoogde dat de ingangsdatum van de vergunning niet kan teruggaan naar de eerste aanvraag omdat het asielmotief van homoseksualiteit toen niet aan de orde was gesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de vluchtelingenstatus en de verblijfsvergunning verschillende begrippen zijn en dat de declaratoire aard van de vluchtelingenstatus niet betekent dat een vergunning met terugwerkende kracht moet worden verleend als het asielmotief in de eerdere aanvraag niet is aangevoerd.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de minister gegrond. De ingangsdatum van de verblijfsvergunning blijft 8 september 2020. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning blijft 8 september 2020.