ECLI:NL:RVS:2024:4609
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Nederlands paspoort wegens onduidelijkheid identiteit appellant
Appellant diende op 24 september 2019 een aanvraag in voor een Nederlands paspoort bij de Nederlandse ambassade in Londen, waarbij hij een geboortedatum van 1959 opgaf en een kopie van een eerder Nederlands paspoort overlegde. Eerdere aanvragen in 2003, 2011, 2012, 2014 en 2016 werden afgewezen vanwege onzekerheid over zijn identiteit, waarbij appellant toen een geboortedatum van 1935 hanteerde. De minister weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat de identiteit niet boven alle twijfel verheven was, mede door wisselende verklaringen en het ontbreken van officiële identiteitsdocumenten met foto.
De rechtbank bevestigde het besluit van de minister en oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om zijn identiteit vast te stellen. Ook het ontbreken van het originele verlopen paspoort en de tegenstrijdigheden in verklaringen versterkten de twijfel. Appellant voerde aan dat het ontbreken van het originele paspoort niet de reden voor afwijzing was, maar dit werd door de rechtbank en de Afdeling verworpen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat appellant eerst zelf met bewijs moet komen, bijvoorbeeld door vingerafdrukken te vergelijken met het asieldossier. Gezien de tegenstrijdigheden en het tijdsverloop achtte de Afdeling het aannemelijk dat de identiteit en het Nederlanderschap niet met voldoende zekerheid konden worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een Nederlands paspoort wordt niet in behandeling genomen vanwege onvoldoende zekerheid over de identiteit.