AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gedeeltelijke opheffing schorsing last onder dwangsom voor bouwwerken in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Ermelo legde aan verzoekers een last onder dwangsom op wegens het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan in stand laten en gebruiken van vier bouwwerken op een bosperceel. Verzoekers betwistten dit en stelden dat voor drie bouwwerken bouwvergunningen waren verleend en dat deze onder overgangsrecht vallen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna verzoekers hoger beroep instelden en een voorlopige voorziening vroegen. De voorzieningenrechter schortte de last op 12 september 2024.
Tijdens de zitting gaf verzoeker aan bouwwerk 4 zonder vergunning te hebben gerealiseerd en bereid te zijn dit te verwijderen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de schorsing voor bouwwerk 4 moet worden opgeheven, met een termijn tot 16 december 2024 voor verwijdering. Voor de bouwwerken 1, 2 en 3, waarvan de vergunningstatus onduidelijk is en die al decennia aanwezig zijn, blijft de schorsing gehandhaafd, zodat zij mogen blijven staan en gebruikt worden voor opslag in afwachting van de bodemprocedure.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het voorlopige karakter van het oordeel en het belang van een zorgvuldige belangenafweging tussen het algemeen belang en het belang van verzoekers.
Uitkomst: De schorsing van de last onder dwangsom wordt opgeheven voor bouwwerk 4 per 16 december 2024 en gehandhaafd voor bouwwerken 1, 2 en 3, met vergoeding van proceskosten aan verzoekers.
Uitspraak
202405709/3/R4.
Datum uitspraak: 15 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de opheffing of wijziging van de bij uitspraak van 12 september 2024 in zaak nr. 202405709/2/R4 getroffen voorlopige voorziening (artikel 8:87 vanPro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend in Ermelo,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 1 augustus 2024 in de zaken nrs. 24/4280 en 24/4282 in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2023 heeft het college aan [verzoeker A] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan in stand laten en gebruiken van vier bouwwerken voor de opslag van goederen op het perceel H-3147 aan de Groenewoudseweg in Ermelo.
Bij besluit van 21 maart 2024 heeft het college deze last onder dwangsom ook aan [verzoeker B] opgelegd. Daarbij heeft het college toegelicht dat dezelfde last daarmee zowel voor [verzoeker A] als voor [verzoeker B] geldt en dat zij bij overtreding daarvan samen, dus niet elk afzonderlijk, de daaraan verbonden dwangsom verbeuren.
Bij twee afzonderlijke gelijkluidende besluiten van 30 mei 2024 heeft het college de door [verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna samen en in enkelvoud: [verzoeker]) daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de last anders geformuleerd.
Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 12 september 2024 in zaak nr. 202405709/2/R4 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat de besluiten van 30 mei 2024, 4 december 2023 en 21 maart 2024 worden geschorst.
Partijen zijn uitgenodigd om te verschijnen op een zitting, om te onderzoeken of aanleiding bestaat de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen met toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.
[verzoeker] en het college hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2024, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. R Scholten en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Oosterveer, advocaat in Apeldoorn, M. Huisman en P.V. de Lijster, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2. [verzoeker] is sinds 2021 eigenaar van het bosperceel H-3147 aan de Groenewoudseweg in Ermelo, waarop tussen de begroeiing vier bouwwerken aanwezig zijn. Bouwwerk 1 is een grote zwart- en bruingekleurde schuur met aan de achterzijde daarvan een aanbouw die wordt aangeduid als bouwwerk 2. Bouwwerk 3 is een groene Romneyloods met een daartegenaan gebouwde carport die wordt aangeduid als bouwwerk 4.
Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Midden-West" heeft het perceel de bestemming "Bos" en geen bouwvlak. De aanwezigheid en het gebruik van de vier bouwwerken is niet in overeenstemming met deze bestemming en de bijbehorende planregels.
2.1. De last, zoals geformuleerd bij de besluiten van 30 mei 2024 luidt: "Wij gelasten u de volgende overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden:
- het gebruiken en in stand houden van de 4 bouwwerken op het perceel H-3147 in strijd met de geldende bestemming Bos, zonder omgevingsvergunning."
Daarbij heeft het college toegelicht dat [verzoeker] aan deze last kan voldoen door het gebruik van het perceel H-3147 in strijd met het bestemmingsplan te beëindigen en beëindigd te houden en daarbij alle vier de bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden.
[verzoeker] is het hier niet mee eens, omdat de bouwwerken 1, 2 en 3 volgens hem al heel lang legaal aanwezig zijn, bouwwerk 1 namelijk sinds 1936 en de bouwwerken 2 en 3 sinds 1965. Volgens hem zijn er in het verleden bouwvergunningen verleend voor die bouwwerken en mag het gebruik ervan voor de opslag van goederen worden voortgezet op grond van het overgangsrecht van het huidige en het vorige bestemmingsplan. Volgens hem zijn namelijk alle drie bouwwerken sinds 1985 in gebruik voor de opslag van goederen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de bouwwerken, omdat niet is gebleken dat er vergunningen zijn verleend voor de bouw daarvan. Daartoe overweegt de rechtbank dat het college heeft toegelicht dat in het gemeentelijke archief geen bouwvergunningen zijn gevonden voor het perceel en dat [verzoeker] ook geen bouwvergunningen heeft kunnen overleggen.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht om schorsing van de besluiten waarbij de last onder dwangsom is opgelegd en in stand is gebleven, zodat hij de bouwwerken in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure nog niet hoeft te verwijderen. Bij de uitspraak van 12 september 2024 in zaak nr. 202405709/2/R4 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek bij wijze van ordemaatregel toegewezen en de besluiten geschorst. In deze procedure wordt beoordeeld of aanleiding bestaat om die schorsing op te heffen of te wijzigen.
Bouwwerk 4
3. Op de zitting bij de voorzieningenrechter heeft [verzoeker] laten weten dat hij niet betwist dat voor het in 2017 gerealiseerde bouwwerk 4 geen omgevingsvergunning is verleend en dat hij dat bouwwerk zal verwijderen. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het laten voortduren van de schorsing, voor zover daarmee is bewerkstelligd dat bouwwerk 4 mag blijven staan in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure.
De bouwwerken 1, 2 en 3
4. Na de uitspraak van de rechtbank heeft [verzoeker] nader onderzoek gedaan naar de bouwvergunningen die volgens hem zijn verleend voor de bouwwerken 1, 2 en 3 en naar het gebruik van die bouwwerken in het verleden. Hij heeft in hoger beroep een groot aantal nieuwe stukken overgelegd, waaronder verschillende vergunningen en andere stukken uit het streekarchief en verklaringen van voormalige eigenaren en gebruikers van de bouwwerken. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de overgelegde vergunningen niet blijkt dat zij zijn verleend voor de bouwwerken 1, 2 en 3 die nu op het perceel van [verzoeker] aanwezig zijn, vanwege onduidelijkheden in de aanduiding van het perceel en afwijkingen in de afmetingen van de bouwwerken.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de stukken, waarvan een deel pas kort voor de zitting is ingediend, niet duidelijk blijkt of de bouw van de bouwwerken 1, 2 en 3 is vergund. Dat zal in de bodemprocedure onderzocht moeten worden. Alleen als dan wordt geoordeeld dat de bouwwerken mogen blijven staan, wordt toegekomen aan de vraag of het gebruik daarvan ook mag worden voortgezet omdat het onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. Ook de beantwoording van die vraag vergt nader onderzoek in de bodemprocedure. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of aanleiding bestaat de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen, beoordelen aan de hand van een belangenafweging.
Het belang van [verzoeker] is gelegen in het niet hoeven afbreken van de bouwwerken 1, 2 en 3 voordat in de bodemprocedure vast is komen te staan dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd. Daartegenover staat het algemeen belang dat ermee is gemoeid dat de bouwwerken niet zonder de daarvoor vereiste vergunning aanwezig zijn en dat het perceel in overeenstemming met het bestemmingsplan wordt gebruikt.
De voorzieningenrechter acht het belang van [verzoeker] bij het mogen laten staan en blijven gebruiken van de bouwwerken in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure, groter dan het algemeen belang dat nu al wel aan de last wordt voldaan. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat niet in geschil is dat de bouwwerken al sinds 1936 dan wel 1965 aanwezig zijn en dat zij sinds 1985 worden gebruikt voor de opslag van goederen. Verder is niet gebleken van recente grote veranderingen in dat gebruik of in de omgeving waardoor de aanwezigheid en het gebruik van de bouwwerken nu een groter probleem vormt dan het in de afgelopen jaren was. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de uitgesproken schorsing in stand te laten, voor zover daarmee is bewerkstelligd dat in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure de bouwwerken 1, 2 en 3 mogen blijven staan en het gebruik daarvan mag worden voortgezet.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter zal de bij de uitspraak van 12 september 2024 in zaak nr. 202405709/2/R4 getroffen voorlopige voorziening wijzigen in die zin dat de schorsing van de besluiten van 4 december 2023, 21 maart 2024 en 30 mei 2024 wordt opgeheven, voor zover die besluiten betrekking hebben op bouwwerk 4. De schorsing wordt voor het overige gehandhaafd.
De voorzieningenrechter zal daarbij bepalen dat deze gedeeltelijke opheffing van de schorsing pas ingaat op maandag 16 december 2024, om te voorkomen dat [verzoeker] door deze uitspraak onmiddellijk de aan de last verbonden dwangsom verbeurt. Op de zitting heeft hij namelijk laten weten dat bouwwerk 4 toen nog aanwezig was.
Dit betekent dat [verzoeker] bouwwerk 4 uiterlijk op maandag 16 december 2024 verwijderd moet hebben en daarna verwijderd moet houden. Deze datum sluit aan bij wat op de zitting hierover is besproken. In afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure mag hij de bouwwerken 1, 2 en 3 laten staan en blijven gebruiken voor de opslag van goederen.
6. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. heft de schorsing van de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 30 mei 2024, kenmerken 02330000219831 en 02330000219852, 4 december 2023, kenmerk 02330000195084, en 21 maart 2024, kenmerk 02330000211532, met ingang van 16 december 2024 op, voor zover die besluiten betrekking hebben op bouwwerk 4;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ermelo tot vergoeding van bij [verzoeker B] en [verzoeker A] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ermelo aan [verzoeker B] en [verzoeker A] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.