ECLI:NL:RVS:2024:4665

Raad van State

Datum uitspraak
4 november 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
202306669/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5.5 Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021Artikel 8:67 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens niet aanvaarden begeleiding

Het geschil betreft de afwijzing door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van de tweede aanvraag van appellant om een urgentieverklaring. Na medisch onderzoek concludeerde Argonaut dat appellant niet zelfstandig kan wonen en intensieve begeleiding nodig heeft in een vorm van begeleid wonen. Het college adviseerde appellant contact op te nemen met het sociaal wijkteam.

Het college stelde vast dat het huisvestingsprobleem van appellant kan worden opgelost met een voorliggende voorziening conform de Huisvestingsverordening Zaanstad 2021. De rechtbank Noord-Holland oordeelde dat het college terecht geen urgentieverklaring verleende, mede omdat appellant geen medewerking verleent aan begeleiding en afspraken niet nakomt.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en volgt de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank. De gronden van appellant in hoger beroep zijn grotendeels herhalingen van eerdere bezwaren, zonder nieuwe argumenten die het oordeel van de rechtbank zouden ondermijnen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd.

Uitspraak

202306669/1/A2.
Datum uitspraak: 4 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 29 september 2023 in zaak nr. 23/561 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad
(hierna: het college).
Openbare zitting gehouden op 4 november 2024 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, voorzitter
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door P. Koenhen en mr. A. Slotboom.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 29 september 2023 van de rechtbank Noord-­Holland.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Motivering
De achtergrond van dit geschil is dat het college de tweede aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring heeft afgewezen. Het college heeft zich na het advies dat Argonaut in het kader van de eerste aanvraag na medisch onderzoek van [appellant] heeft gegeven op het standpunt gesteld dat hij niet in staat is om zelfstandig te wonen maar intensieve begeleiding nodig heeft met een vorm van begeleid wonen, en hem geadviseerd daartoe contact op te nemen met het sociaal wijkteam. Het college heeft geconcludeerd dat het huisvestingsprobleem door [appellant] kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening (artikel 2.5.5, eerste lid en onder d, van de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021). De rechtbank is van oordeel dat het college om deze reden geen aanleiding heeft hoeven zien om de urgentieverklaring te verlenen. Zij is [appellant] niet gevolgd in zijn stelling dat het sociaal wijkteam en het Leger des Heils hem niet willen helpen, omdat uit het dossier blijkt dat - zoals het college ook zegt - [appellant] begeleiding niet accepteert, afspraken niet nakomt en geen medewerking verleent om tot een oplossing te komen.
De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan, onder overwegingen 5.1 tot en met 5.3, en ziet geen aanleiding om anders te oordelen.
Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1067