ECLI:NL:RVS:2024:4679
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning en inreisverbod met proceskostenveroordeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 26 augustus 2024 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk en legde een inreisverbod op. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 22 oktober 2024 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht een gebrek in het besluit constateerde en dit met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeerde, maar onterecht geen proceskostenveroordeling uitsprak. De Raad oordeelde dat de minister tot vergoeding van de proceskosten aan de vreemdeling veroordeeld moest worden. De overige grieven van de vreemdeling werden niet gegrond verklaard.
De Raad van State vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betrof, bevestigde het vonnis verder en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van € 2.625,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.