AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning en inreisverbod met proceskostenveroordeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 26 augustus 2024 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk en legde een inreisverbod op. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit op 22 oktober 2024 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht een gebrek in het besluit constateerde en dit met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb passeerde, maar onterecht geen proceskostenveroordeling uitsprak. De Raad oordeelde dat de minister tot vergoeding van de proceskosten aan de vreemdeling veroordeeld moest worden. De overige grieven van de vreemdeling werden niet gegrond verklaard.
De Raad van State vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betrof, bevestigde het vonnis verder en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van € 2.625,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
202406597/1/V1 en 202406597/2/V1.
Datum uitspraak: 18 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2024 in zaak nr. NL24.34361 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb is gepasseerd, zonder daarbij de minister te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten.
1.1. De rechtbank heeft geconstateerd dat er een gebrek kleeft aan het besluit van 26 augustus 2024. Zij heeft aanleiding gezien om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb te passeren, maar heeft daarbij geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Omdat de rechtbank een gebrek heeft geconstateerd, had zij de minister moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.
De grief slaagt.
2. Wat de vreemdeling in zijn tweede grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2024 in zaak nr. NL24.34361, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV. wijst het verzoek af;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.