ECLI:NL:RVS:2024:4687
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging inreisverbod van tien jaar wegens onvoldoende motivering
De vreemdeling, met de Colombiaanse nationaliteit, is veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf wegens witwassen. De minister van Asiel en Migratie vaardigde een inreisverbod van tien jaar uit en beval onmiddellijke vertrek uit de EU. De rechtbank vernietigde dit besluit voor zover het het inreisverbod betrof wegens onvoldoende motivering van de duur.
De minister stelde in hoger beroep dat het inreisverbod van tien jaar gerechtvaardigd was op grond van het Unierechtelijke openbare-ordecriterium en het beleid van de IND, dat ook buiten de limitatieve opsomming in het Vreemdelingenbesluit 2000 een dergelijk verbod kan worden opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd waarom het inreisverbod tien jaar moest duren, terwijl het Vreemdelingenbesluit duidelijke maximale termijnen stelt afhankelijk van de ernst van het misdrijf.
De Afdeling benadrukte dat het beleid van de minister in paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 onverbindend is voor zover het afwijkt van de wettelijke bepalingen. De grief van de minister faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en het tienjarige inreisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.