ECLI:NL:RVS:2024:4718
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep bij rechtbank in zaak toevoeging rechtsbijstand
De zaak betreft een geschil over de afwijzing van een aanvraag voor een toevoeging voor rechtsbijstand door de raad voor rechtsbijstand. De raad wees de aanvraag van appellant in december 2020 af en verklaarde het bezwaar in maart 2021 ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van de rechtsbijstandverlener niet-ontvankelijk omdat appellant zelf geen beroep had ingesteld.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar de raad stelde dat dit beroep niet-ontvankelijk was op grond van artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellant geen beroep bij de rechtbank had ingesteld. Hoewel de raad uit coulance de toevoeging alsnog afgaf en het betaalde griffierecht vergoedde, weigerde zij vergoeding van overige proceskosten omdat alleen de rechtsbijstandverlener beroep had ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de rechtsbijstandverlener uitsluitend voor zichzelf beroep had ingesteld. De beroepschriften waren in de ik-vorm opgesteld en ondertekend door de rechtsbijstandverlener zonder vermelding dat hij ook namens appellant optrad. De omstandigheden die appellant aanvoerde, zoals het herhalen van het bezwaarschrift en het opvragen van zijn adres, waren onvoldoende om te concluderen dat het beroep namens hem was ingesteld.
Omdat appellant zelf geen beroep bij de rechtbank had ingesteld en hem dit redelijkerwijs niet kon worden verweten, werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling beoordeelde het inhoudelijke betoog van appellant niet en besloot dat de raad geen proceskosten hoefde te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.