ECLI:NL:RVS:2024:4724
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken beroep bij rechtbank in zaak toevoeging rechtsbijstand
Appellant had bij de raad voor rechtsbijstand een aanvraag gedaan voor een toevoeging voor rechtsbijstand, welke op 28 december 2020 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de raad dit bezwaar ongegrond. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van de rechtsbijstandverlener tegen dit besluit niet-ontvankelijk. Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.
De raad voor rechtsbijstand gaf bij besluit van 26 september 2024 uit coulance alsnog de toevoeging af en vergoedde het betaalde griffierecht. De raad stelde echter dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat appellant geen beroep bij de rechtbank had ingesteld. Appellant trok het hoger beroep in onder de voorwaarde dat ook zijn verzoek tot vergoeding van overige proceskosten werd ingewilligd, wat de raad weigerde.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtsbijstandverlener alleen voor zichzelf beroep had ingesteld en niet namens appellant. De beroepschriften waren in de ik-vorm opgesteld en ondertekend door de rechtsbijstandverlener zonder vermelding van optreden namens appellant. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een beroep bij de rechtbank en dat de raad geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.