ECLI:NL:RVS:2024:4788

Raad van State

Datum uitspraak
21 november 2024
Publicatiedatum
21 november 2024
Zaaknummer
202405001/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht in vreemdelingenzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 januari 2023 de aanvraag van de vreemdeling om verlenging van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 21 augustus 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 juli 2024 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde hierop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De griffier wees de vreemdeling erop dat het griffierecht betaald moest worden, met een uiterste betaaldatum van 23 augustus 2024. Na het uitblijven van betaling volgden meerdere aanmaningen met nieuwe termijnen, tot 10 oktober 2024. Ook binnen deze laatste termijn werd het griffierecht niet voldaan.

De vreemdeling kreeg nog de gelegenheid om schriftelijk te verklaren waarom de betaling te laat was, maar de Afdeling zag geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijnen.

Uitspraak

202405001/1/V1.
Datum uitspraak: 21 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 juli 2024 in zaak nr. NL23.24721 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.
Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Kiliç-Arslan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Overwegingen
1.       De griffier heeft de vreemdeling er bij brief op gewezen dat hij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 23 augustus 2024 te voldoen. Omdat de vreemdeling dit niet heeft gedaan, heeft de griffier hem bij aangetekende brief van 3 september 2024 laten weten dat het griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van de brief op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. De griffier heeft de vreemdeling tot slot ook nog bij aangetekende brief van 26 september 2024 laten weten dat het griffierecht uiterlijk op 10 oktober 2024 moet zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad van State of contant moet zijn betaald. Het griffierecht is ook binnen die termijn niet betaald. De vreemdeling is vervolgens in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te laten weten waarom de termijn is overschreden. In de door de vreemdeling aangevoerde redenen ziet de Afdeling geen aanleiding om het hoger beroep toch in behandeling te nemen.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2024
392