AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen horeca-aanduiding bestemmingsplan Binnenstad 2023 te Tiel
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan "Binnenstad 2023" van de gemeente Tiel, met name tegen de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 3" voor het perceel Oliemolenwal 83. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening om schorsing van het bestemmingsplan te bewerkstelligen, omdat zij bezwaar heeft tegen de toegestane exploitatie van een café op die locatie.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestemmingsplan "Binnenstad 2023" voor het perceel dezelfde horecafunctie toekent als het eerdere bestemmingsplan uit 2008. Tevens is onbetwist dat er al sinds de jaren zeventig een café wordt geëxploiteerd op het perceel. Hierdoor zou schorsing van het nieuwe bestemmingsplan niet leiden tot beëindiging van de café-exploitatie.
Gezien deze feiten ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om schorsing wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. De raad van de gemeente Tiel hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om schorsing van het bestemmingsplan Binnenstad 2023 wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.
Uitspraak
202404979/2/R4.
Datum uitspraak: 21 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:
[verzoekster], wonend in Tiel,
verzoekster.
Procesverloop
[verzoekster] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de raad van de gemeente Tiel van 3 juli 2024, waarbij het bestemmingsplan "Binnenstad 2023" is vastgesteld.
Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
2. Met het verzoek beoogt [verzoekster] schorsing van het bestemmingsplan "Binnenstad 2023", voor zover daarin aan het perceel Oliemolenwal 83 in Tiel de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 3" is toegekend. [verzoekster] kan zich niet verenigen met de ter plaatse toegestane exploitatie van een café.
3. De voorzieningenrechter kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. In het bestemmingsplan "Binnenstad 2023" is aan het perceel Oliemolenwal 83 in Tiel de functieaanduiding "horeca tot en met categorie 3" toegekend. In het daarvoor ter plaatse geldende "Bestemmingsplan binnenstad", vastgesteld op 15 oktober 2008, was aan het perceel de functieaanduiding "horeca tot en met horecacategorie 3" toegekend. De voorzieningenrechter stelt vast dat, gelet op de begripsomschrijving van "horeca categorie 3" in de planregels van het bestemmingsplan "Binnenstad 2023" en de begripsomschrijving van "horeca categorie 3" in de planregels van het "Bestemmingsplan binnenstad" uit 2008, met de functieaanduiding "horeca categorie 3" in het bestemmingsplan "Binnenstad 2023" niet meer mogelijkheden voor het gebruik van het café aan de Oliemolenwal 83 worden toegekend dan in het daarvoor geldende bestemmingsplan uit 2008. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat [verzoekster], daartoe in de gelegenheid gesteld, niet heeft betwist dat in het pand aan de Oliemolenwal 83 al lange tijd, "in ieder geval sinds de jaren zeventig", een café wordt geëxploiteerd, zoals door de raad naar is gebracht.
5. Gelet op het voorgaande, wordt in het pand aan de Oliemolenwal 83 al decennia lang een café geëxploiteerd en maakt het bestemmingsplan "Binnenstad 2023" voor dat café niet meer mogelijk dan het daarvoor geldende bestemmingsplan uit 2008. Schorsing van het bestemmingsplan "Binnenstad 2023" zou dan ook niet leiden tot de (tijdelijke) beëindiging van de exploitatie van een café ter plaatse, zoals [verzoekster] kennelijk beoogt. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat een spoedeisend belang is gemoeid met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient daarom als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.