ECLI:NL:RVS:2024:4844
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregelen in grensdetentie vreemdelingen
De minister van Asiel en Migratie legde op 13 juli 2024 vrijheidsontnemende maatregelen op aan twee Iraanse vreemdelingen die asiel aanvroegen op Schiphol. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze maatregelen gegrond en beval opheffing, maar wees schadevergoedingen af. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de duur van de grensdetentie niet langer was dan noodzakelijk volgens artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, mede omdat de asielberoepen binnen korte termijn werden behandeld. De door de vreemdelingen aangevoerde persoonlijke en medische omstandigheden waren onvoldoende onderbouwd en wogen niet zwaarder dan het grensbewakingsbelang.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, en oordeelde dat de beroepen alsnog ongegrond zijn. Verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregelen zijn rechtmatig en de beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard.