ECLI:NL:RVS:2024:4875
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onbevoegdverklaring beroep niet tijdig verstrekken minuten verblijfsvergunning
Appellant verzocht op 6 februari 2019 de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om openbaarmaking van minuten over besluiten tot verlening van een verblijfsvergunning met gebruikmaking van discretionaire bevoegdheid. Na het uitblijven van een beslissing stelde appellant de minister in gebreke en startte beroep bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat het verzoek niet als een aanvraag in de zin van de Awb werd gezien.
In hoger beroep betoogde appellant dat het niet tijdig verstrekken van de minuten wel als een besluit met rechtsgevolgen moet worden beschouwd. De Afdeling oordeelde dat het verzoek om verstrekking van informatie een feitelijke handeling betreft, maar dat op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 6:2 Awb Pro het uitblijven van een reactie gelijkgesteld moet worden met een besluit waartegen beroep openstaat. De rechtbank had het beroep dan ook niet onbevoegd moeten verklaren en het beroepschrift moeten doorzenden naar de rechtbank Den Haag.
De Afdeling behandelde het beroep inhoudelijk en oordeelde dat de redelijke termijn voor het verstrekken van de minuten was overschreden, zodat het beroep gegrond is. Verzoeken om vaststelling van dwangsommen en schadevergoeding werden afgewezen omdat het verzoek geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is en appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat de gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het niet tijdig verstrekken van de minuten.
De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant wordt vernietigd, het beroep tegen het niet tijdig verstrekken van de minuten wordt gegrond verklaard en de verzoeken om dwangsommen en schadevergoeding worden afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig verstrekken van de minuten is gegrond, verzoeken om dwangsommen en schadevergoeding worden afgewezen.