ECLI:NL:RVS:2024:5023

Raad van State

Datum uitspraak
5 december 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
202406205/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 3.106a Vb 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten niet-ontvankelijkheid asielaanvragen wegens veilig derde land Canada

De minister van Asiel en Migratie verklaarde op 20 augustus 2024 de asielaanvragen van twee Syrische vreemdelingen niet-ontvankelijk, omdat Canada als een veilig derde land werd beschouwd. De rechtbank Den Haag verklaarde de beroepen van de vreemdelingen tegen deze besluiten op 30 september 2024 ongegrond.

De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij voerden aan dat zij met aanvullende stukken aannemelijk hebben gemaakt dat hun dochter Canada heeft verlaten om zich elders te vestigen, waardoor zij niet kunnen worden geacht een zodanige band met Canada te hebben dat het redelijk is van hen te verwachten dat zij daarheen terugkeren.

De Raad van State oordeelde dat deze stelling voldoende is om de niet-ontvankelijkheid te weerleggen. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en de besluiten van 20 augustus 2024 vernietigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.625,00.

Uitkomst: De besluiten van de minister die de asielaanvragen niet-ontvankelijk verklaarden wegens Canada als veilig derde land zijn vernietigd.

Uitspraak

202406205/1/V3.
Datum uitspraak: 5 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 september 2024 in zaken nrs. NL24.33497 en NL24.33498 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 20 augustus 2024 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 30 september 2024 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De minister heeft de asielaanvragen van de vreemdelingen, die de Syrische nationaliteit hebben, niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, omdat hij Canada als een veilig derde land voor de vreemdelingen beschouwt (artikel 3.106a van het Vb 2000 in samenhang gelezen met paragraaf C2/6.3 van de Vc 2000).
2.       In de vierde grief betogen de vreemdelingen terecht dat zij met de aanvullende stukken in hoger beroep, waarmee zij verder aannemelijk maken dat hun dochter uit Canada is vertrokken om zich elders te vestigen, voldoende hebben weerlegd dat zij een zodanige band hebben met Canada dat het redelijk is van hen te verwachten dat zij daarheen gaan. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder hebben aangevoerd te bespreken. De beroepen zijn gegrond en de besluiten van 20 augustus 2024 worden vernietigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 september 2024 in zaken nrs. NL24.33497 en NL24.33498;
III.      verklaart de beroepen gegrond;
IV.     vernietigt de besluiten van 20 augustus 2024, V-[..] en V-[..];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2024
18-1111