ECLI:NL:RVS:2024:5139

Raad van State

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
11 december 2024
Zaaknummer
202406488/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8b WHWArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bindend negatief studieadvies Universiteit Leiden

Appellant volgde in het studiejaar 2023-2024 de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden en behaalde slechts 5 studiepunten, terwijl de norm voor het bindend negatief studieadvies (BNSA) 45 studiepunten bedroeg.

Appellant voerde aan dat hij studievertraging had opgelopen door persoonlijke omstandigheden, waaronder het vluchten uit Turkije en taalproblemen. Het college van beroep voor de examens had het administratief beroep van appellant tegen het BNSA ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel.

De Afdeling oordeelt dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden, mede op basis van hinderverklaringen van de studentendecaan die aangeven dat appellant voor 33,3% gehinderd was in studeren. Dit rechtvaardigt echter niet het niet behalen van meer dan 30 studiepunten, terwijl appellant slechts 5 studiepunten behaalde.

Verder is gebleken dat appellant adequaat is begeleid, onder meer door een taalbuddy en de mogelijkheid tot herkansen van tentamens met een lager cijfer dan vier. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de vergelijkbare student een andere studietraject en omstandigheden had.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het bindend negatief studieadvies wordt ongegrond verklaard en het BNSA blijft in stand.

Uitspraak

202406488/1/A2.
Datum uitspraak: 29 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 29 november 2024 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. N. Verheij, voorzitter
griffier: mr. A.J. Jansen
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag;
het college, vertegenwoordigd door mr. E.M.A. van der Linden en mr. J. Robbe.
====================================
De examencommissie heeft namens het bestuur van de faculteit der Rechtsgeleerdheid [appellant] een bindend negatief studieadvies (hierna: BNSA) gegeven. De examencommissie heeft daaraan een afwijzing verbonden als bedoeld in artikel 7.8b, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Bij beslissing van 2 oktober 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Het beroep richt zich tegen deze beslissing.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Gronden:
- [appellant] volgde in het studiejaar 2023-2024 de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden. Hij heeft in dat jaar 5 studiepunten behaald voor een Engelstalig vak. Daarmee heeft hij niet voldaan aan de voor de propedeutische fase geldende BSA-norm van 45 studiepunten. [appellant] voert aan dat hem uitstel van BSA had moeten worden verleend omdat hij studievertraging heeft opgelopen door persoonlijke omstandigheden. Hij is na een moeilijke periode gevlucht uit Turkije en heeft moeite met de Nederlandse taal.
- De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met deze persoonlijke omstandigheden. Het college is afgegaan op wat [appellant] bij het college over die omstandigheden heeft aangevoerd en de door de studentendecaan afgegeven hinderverklaringen. In de hinderverklaringen van 24 juli 2024 en 24 september 2024 staat dat [appellant] door persoonlijke omstandigheden bij het verrichten van studieprestaties van 1 november 2023 tot en met 31 augustus 2024 zeer gehinderd was en voor 33,3% niet in staat was om te studeren. [appellant] heeft geen gronden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat het college niet op deze hinderverklaringen heeft kunnen afgaan. Uit de hinderverklaringen volgt dat [appellant] 30 studiepunten had moeten kunnen behalen. Omdat hij in het studiejaar 2023-2024 slechts 5 studiepunten heeft behaald, wordt de studievertraging niet geheel verklaard door de aangevoerde persoonlijke omstandigheden.
- De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat hij tijdens zijn opleiding onvoldoende is begeleid. Blijkens de verklaring van de studieadviseur van 3 september 2024 heeft zij veelvuldig contact gehad met [appellant] over de aanpak en voortgang van de opleiding. Zij heeft voor [appellant] een taalbuddy geregeld. Ook is met de situatie van [appellant] rekening gehouden door hem toestemming te geven om tentamens met een lager cijfer dan vier te herkansen. Verder is niet is gebleken dat [appellant] tijdens zijn studiejaar heeft aangegeven dat hij behoefte had aan meer of andere begeleiding.
- Dat de studieadviseur blijkens haar voornoemde verklaring enige coulance had verwacht bij de besluitvorming over het studieadvies, betekent niet dat het college het aantal behaalde studiepunten niet relevant had mogen achten. [appellant] heeft slechts 5 studiepunten behaald.
-  Het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Op zitting is gebleken dat het hem alleen nog gaat om een Turkse vluchteling die ook heeft deelgenomen aan de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid, maar wel een uitstel van het BSA heeft gekregen. Niet is gebleken dat dit een vergelijkbaar geval is. Anders dan [appellant], is de andere student begonnen in het studiejaar 2020-2021 en heeft daarvoor al een studie Rechtsgeleerdheid of een vergelijkbare opleiding gevolgd in Turkije. Deze student behaalde in het eerste jaar 10 studiepunten in Nederlandstalige vakken en voor hem gold wegens de coronapandemie een verlaagde BSA-norm van 40 studiepunten.
- De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college het BNSA en de daaraan verbonden afwijzing niet in stand heeft mogen laten.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jansen
griffier
609