ECLI:NL:RVS:2024:5146
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling aan Bulgarije
Op 1 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie besloten een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld, dat door de rechtbank en vervolgens in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond is verklaard.
De vreemdeling verzocht op 8 december 2024 om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Bulgarije. De voorzieningenrechter overwoog dat reeds in de uitspraak van 6 december 2024 was vastgesteld dat geen reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro Handvest bij overdracht. Ook het ingediende verzoek om een interim measure bij het EHRM leidde niet tot opschorting.
Verder stelde de vreemdeling dat hij slachtoffer is van een misdrijf gepleegd door een Nederlands overheidsorgaan en een aanvraag humanitair tijdelijk verblijf had ingediend, maar hij kon dit niet met proces-verbaal of aangifte onderbouwen. Het Openbaar Ministerie achtte zijn aanwezigheid niet noodzakelijk voor het opsporingsonderzoek. De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van de minister bij tijdige overdracht zwaarder weegt en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Bulgarije wordt afgewezen.