ECLI:NL:RVS:2024:5146

Raad van State

Datum uitspraak
8 december 2024
Publicatiedatum
12 december 2024
Zaaknummer
202407186/3/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 72 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling aan Bulgarije

Op 1 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie besloten een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld, dat door de rechtbank en vervolgens in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond is verklaard.

De vreemdeling verzocht op 8 december 2024 om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Bulgarije. De voorzieningenrechter overwoog dat reeds in de uitspraak van 6 december 2024 was vastgesteld dat geen reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro Handvest bij overdracht. Ook het ingediende verzoek om een interim measure bij het EHRM leidde niet tot opschorting.

Verder stelde de vreemdeling dat hij slachtoffer is van een misdrijf gepleegd door een Nederlands overheidsorgaan en een aanvraag humanitair tijdelijk verblijf had ingediend, maar hij kon dit niet met proces-verbaal of aangifte onderbouwen. Het Openbaar Ministerie achtte zijn aanwezigheid niet noodzakelijk voor het opsporingsonderzoek. De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van de minister bij tijdige overdracht zwaarder weegt en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Bulgarije wordt afgewezen.

Uitspraak

202407186/3/V3.
Datum uitspraak: 8 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81, van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet van:
[de vreemdeling],
verzoeker.
Tegenwoordig:
voorzieningenrechter: mr. J.H. van Breda
griffier: mr. J. Nouta
====================================
Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 22 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Beek, heeft op 5 december 2024 krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht en op 7 december 2024 de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek op 8 december 2024 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter, bij mondelinge uitspraak van 8 december 2024:
wijst het verzoek af.
Daartoe overweegt hij het volgende:
1.       Bij uitspraak van de Afdeling van 6 december 2024 is het hoger beroep in zaaknummers 202407186/1/V3 en 202407186/2/V3 ongegrond verklaard en daarbij is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. In die procedure is de grond over een schending van artikel 3 EVRM Pro bij overdracht aan Bulgarije betrokken. De Afdeling heeft geoordeeld dat de vreemdeling na overdracht aan Bulgarije geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro Handvest loopt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op basis van het verzoek op dat punt tot een ander oordeel te komen.
2.       Dat de vreemdeling op 6 december 2024 een verzoek om een interim measure heeft ingediend bij het EHRM, betekent niet dat daardoor de overdracht naar Bulgarije niet kan doorgaan. Niet is gebleken dat het EHRM naar aanleiding van dat verzoek een interim measure heeft getroffen.
3.       De vreemdeling heeft verder aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij op 6 december 2024 een aanvraag voor het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’ heeft ingediend. Hij stelt dat hij slachtoffer is geworden van een door een overheidsorgaan in Nederland gepleegd misdrijf, maar hij heeft daarvan geen proces-verbaal en/of een aangifte overgelegd. Verder is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk acht in het belang van het opsporings- en vervolgingsonderzoek, zoals de vreemdeling heeft betoogd. Ook is niet gebleken van andere aspecten die spelen waardoor het belang van de vreemdeling bij het afwachten van de aanvraag voor het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’ toch zwaarder moet wegen dan het belang van de minister bij een tijdige overdracht aan Bulgarije. Mocht tijdens het opsporings- en vervolgingsonderzoek toch blijken dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk is, dan kan hij vanuit Bulgarije worden teruggeleid naar Nederland.
4.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Nouta
griffier
922