AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot verhoging dwangsom in zaak Wet open overheid
Verzoeker heeft bij de minister een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo), dat door de minister niet in behandeling is genomen. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en legde de minister een termijn van zes weken op om een besluit te nemen, met een dwangsom van € 1,- per dag overschrijding, maximaal € 100,-.
Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij hij de dwangsom verhoogd wilde zien. De voorzieningenrechter vroeg om nadere toelichting op het spoedeisend belang, waarop verzoeker verwees naar zijn eerdere stukken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang niet voldoende was aangetoond en dat er geen rechtvaardiging was voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek tot verhoging van de dwangsom wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
202406036/3/A3.
Datum uitspraak: 29 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
tegen de uitspraak van rechtbank Den Haag van 12 september 2024 in zaak nr. 24/5483 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Defensie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2023 heeft de minister besloten het verzoek van [verzoeker] op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) niet in behandeling te nemen.
Tegen dat besluit heeft [verzoeker] op 30 januari 2024 bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft [verzoeker] op 23 mei 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
Bij uitspraak van 12 september 2024 heeft de rechtbank het door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen zes weken na de uitspraak een besluit te nemen op het bezwaar van [verzoeker]. Als de minister dat niet doet, moet hij per dag dat hij de termijn van zes weken overschrijdt een dwangsom van € 1,- betalen met een maximum van € 100,-.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
2. Met het verzoek wil [verzoeker] bereiken dat de door de rechtbank opgelegde dwangsom van € 1,- per dag dat de minister de termijn van zes weken overschrijdt, met een maximum van € 100,-, wordt verhoogd. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de voorzieningenrechter [verzoeker] verzocht mede te delen wat het spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bij het verzoek is. [verzoeker] heeft in zijn reactie van 7 oktober 2024 medegedeeld dat het spoedeisend belang is uitgelegd in het verzoek om voorlopige voorziening.
3. In wat [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen reden om spoedeisend belang aan te nemen. Er is dan ook geen rechtvaardiging voor het treffen van een voorlopige voorziening.
4. Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.