ECLI:NL:RVS:2024:5374

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
24 december 2024
Zaaknummer
202302957/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Besluit vergoedingen rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering toeslag vergoeding rechtsbijstand in verlengde asielprocedure

Appellante, een advocaat die rechtsbijstand verleende in een asielprocedure, vorderde een toeslag van 2 punten bovenop de vergoeding voor haar werkzaamheden in de Algemene Asielprocedure. De raad voor rechtsbijstand kende deze toeslag niet toe omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarde om een v.a.-brief mee te sturen bij de declaratie, zoals vereist volgens artikel 5a, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd waarom de eerdere gemotiveerde beoordeling onjuist zou zijn en dat de door haar aangevoerde gelijke gevallen niet vergelijkbaar zijn vanwege beleidswijzigingen en specifieke omstandigheden.

De Raad van State wijst het hoger beroep af en bevestigt dat de raad voor rechtsbijstand niet verplicht is de toeslag toe te kennen zonder de vereiste v.a.-brief of een verklaring van de IND dat de verlengde asielprocedure is gevolgd. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de toeslag van 2 punten terecht niet is toegekend wegens het ontbreken van een v.a.-brief.

Uitspraak

202302957/1/A2.
Datum uitspraak: 24 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], kantoorhoudend in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant, van 23 maart 2023 in zaak nr. 21/3347 in het geding tussen:
[appellante]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2021 met kenmerk 5DS9430 heeft de raad de vergoeding voor door [appellante] verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.250,85.
Bij besluit van 22 november 2021 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld en aanvullende gronden ingediend.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2024, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets en M. Spiegelenberg, is verschenen.
Overwegingen
1.       [appellante] heeft als advocaat rechtsbijstand verleend in een asielzaak op basis van een toevoeging met nummer 5DS9430. De raad heeft voor de door [appellante] verrichte werkzaamheden in de Algemene Asiel (hierna: A.A.)-procedure een vergoeding vastgesteld op basis van 12 punten. De raad heeft deze vergoeding in bezwaar gehandhaafd en [appellante] geen toeslag van 2 punten toegekend in geval van het volgen van de Verlengde Asiel (hierna: V.A.)-procedure.
2.       De raad heeft aan zijn besluit om geen toeslag van 2 punten toe te kennen artikel 5a, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand ten grondslag gelegd. Ingevolge dit artikel wordt, zakelijk weergegeven, een aanvullende vergoeding van 2 punten toegekend, als de V.A.-procedure wordt gevolgd. Volgens de in dat geval van toepassing zijnde werkinstructie van de raad dient de advocaat, voor zover thans van belang, bij de declaratie een v.a.-brief mee te sturen om in aanmerking te komen voor die toeslag. [appellante] heeft niet aan deze voorwaarde voldaan. De raad heeft verder vermeld dat zij ook geen verklaring van de IND heeft overgelegd dat in dit geval de V.A.-procedure is gevolgd. Tevens is in de relevante beschikking van de IND niet vermeld dat de V.A.-procedure is gevolgd. Het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens de raad dan ook niet, omdat in de door haar aangevoerde zaak met toevoegingsnummer 5DS9423 dat wel in de desbetreffende beschikking is vermeld.
3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.2 tot en met 4.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt hieraan toe dat [appellante] haar stelling in hoger beroep dat de IND niet meer bereid is in voorkomend geval een verklaring af te geven dat een zaak in de V.A.-procedure is afgedaan niet heeft onderbouwd. De raad heeft dit op de zitting ook weersproken. Verder zijn de door [appellante] in hoger beroep genoemde zaken waarin de raad een v.a.-toeslag heeft toegekend, anders dan zij stelt, niet gelijk aan deze zaak. Zoals de raad in de schriftelijke uiteenzetting heeft toegelicht, heeft de raad weliswaar in zaak nr. 5DS7065 2 extra punten toegekend terwijl een v.a.-brief ontbrak, maar zij heeft eind 2021 naar aanleiding van die zaak het beleid aangescherpt in die zin dat zij dat sinds die tijd niet meer doet. De zaken met nrs. 5DQ0916 en 5DT7417 dateren uit 2020, dus van vóór die aanscherping. Ten slotte is zaak nr. 2EQ2469 een kennelijke misslag, terwijl de toeslag van 2 punten in zaak nr. 5DQ0915, anders dan [appellante] stelt, niet is toegekend, maar geweigerd, aldus de raad. [appellante] heeft hier vervolgens niets meer tegenover gesteld.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
5.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024
488/1132