ECLI:NL:RVS:2024:5377
Raad van State
- Hoger beroep
- J.W. Willems
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding rechtsbijstand wegens onvoldoende reden voor toevoeging
In deze zaak heeft appellant A als advocaat namens appellant B twee aanvragen ingediend voor vergoeding van kosten van verleende rechtsbijstand in asielgerelateerde procedures. De raad voor rechtsbijstand wees deze aanvragen af omdat onvoldoende reden voor rechtsbijstand bleek, mede omdat de feitelijke overdracht van appellant B aan Italië was geannuleerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant B niet-ontvankelijk en het beroep van appellant A ongegrond. Tegen deze uitspraak werd hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak inhoudelijk behandeld en oordeelde dat appellant A en B geen nieuwe gronden hadden aangevoerd die het eerdere oordeel konden weerleggen.
De Afdeling sluit zich aan bij de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank en bevestigt het oordeel dat de aanvragen terecht zijn afgewezen. Er is onvoldoende kans van slagen gebleken voor de procedures waarvoor rechtsbijstand werd verleend, waardoor geen reden was voor vergoeding.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de raad geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding voor rechtsbijstand wordt bevestigd.