AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen afwijzing proceskostenvergoeding na intrekking administratief beroep toelating masteropleiding
De appellant verzocht de toelatingscommissie van de Faculteit Sociale Wetenschappen om toelating tot de masteropleiding Youth Education & Society, ondanks het niet behalen van alle premastervakken. Dit verzoek werd afgewezen. Hiertegen stelde zij administratief beroep in bij het College van Beroep voor de Examens (CBE). Voordat het CBE hierover besliste, bereikten partijen een schikking en trok appellant het beroep in, met behoud van het verzoek om proceskostenvergoeding.
Het CBE wees het verzoek om proceskostenvergoeding af zonder appellant vooraf te horen, ondanks haar herhaalde verzoeken daartoe. Appellant stelde beroep in bij de Raad van State, stellende dat het CBE haar op grond van artikel 7:16, eerste lid, Awb had moeten horen.
De Raad van State oordeelde dat artikel 7:16 AwbPro niet van toepassing was omdat de beslissing van 15 november 2024 geen beslissing op het beroep betrof, maar op het verzoek om proceskostenvergoeding. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het CBE hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding is ongegrond verklaard.
Uitspraak
202407051/1/A2.
Datum uitspraak: 31 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Utrecht (hierna: het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 11 juli 2024 heeft de toelatingscommissie van de Faculteit Sociale Wetenschappen (hierna: de toelatingscommissie) het verzoek van [appellante] om toelating tot de masteropleiding Youth Education & Society afgewezen.
Omdat een schikking is bereikt, heeft [appellante] het daartegen ingestelde administratief beroep ingetrokken, onder handhaving van het verzoek om een proceskostenvergoeding.
Bij beslissing van 15 november 2024 heeft het CBE dat verzoek afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 december 2024, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het CBE, vertegenwoordigd door dr. T.E. Riesthuis en mr. C. Bakirhan, vergezeld door [persoon], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft de toelatingscommissie verzocht om haar toe te laten tot de master Youth Education & Society, terwijl zij nog niet alle vakken van de bijbehorende premaster heeft behaald. De toelatingscommissie heeft dat verzoek afgewezen.
2. [appellante] heeft daartegen administratief beroep ingesteld bij het CBE. Voordat het CBE daarop heeft beslist, hebben de toelatingscommissie en [appellante] een schikking bereikt. [appellante] heeft vervolgens bij bericht van 2 september 2024 haar administratief beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding. Zij heeft daarbij meermaals gevraagd om op een zitting te worden gehoord over dat verzoek. Het CBE heeft het verzoek afgewezen, zonder [appellante] daaraan voorafgaand te horen.
Beroep
3. [appellante] betoogt dat het CBE haar op grond van artikel 7:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) had moeten horen voordat het een beslissing nam op haar verzoek om een proceskostenvergoeding. Zij voert daarbij aan dat de uitzonderingsituaties die zijn neergelegd in artikel 7:17 vanPro de Awb niet van toepassing zijn.
Beoordeling beroep
4. Zoals uit het beroepschrift van [appellante] volgt en zoals zij heeft bevestigd op de zitting bij de Afdeling, gaat het beroep alleen over het horen voorafgaand aan de afwijzing van haar verzoek om een proceskostenvergoeding en niet over die afwijzing zelf.
5. Artikel 7:16, eerste lid, van de Awb luidt: "Voordat een beroepsorgaan op het beroep beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord."
5.1. Anders dan [appellante] betoogt, bestond er op grond van deze bepaling geen verplichting voor het CBE om [appellante] te horen voordat het bij de beslissing van 15 november 2024 het verzoek om een proceskostenvergoeding afwees. Die beslissing is immers geen beslissing op het beroep, zoals in bovenstaande bepaling wordt bedoeld. Artikel 7:16, eerste lid, van de Awb is hier dan ook niet van toepassing. Of al dan niet sprake was van een in artikel 7:17 vanPro de Awb neergelegde reden om af te zien van het horen, is dus niet relevant.
Slotsom
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.