AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen derde beoordeling afstudeeropdracht Finance & Control
Appellant volgde de opleiding Finance & Control aan de Hanzehogeschool Groningen en kreeg zijn afstudeeropdracht driemaal met een onvoldoende beoordeeld. Na vernietiging van een eerdere afwijzing door het College van Beroep voor de Examens (CBE) werd de opdracht opnieuw beoordeeld door twee onafhankelijke examinatoren, die wederom een onvoldoende gaven.
Appellant stelde beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen deze derde beoordeling. De Afdeling oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het zich richt tegen een primaire beslissing van examinatoren en niet tegen een besluit van het CBE. Het CBE is bevoegd om over deze primaire beoordeling te beslissen.
De Afdeling verwees het beroep terug naar het CBE en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af, maar bepaalde dat het griffierecht van appellant wordt terugbetaald. Het CBE gaf aan bereid te zijn alsnog een beslissing te nemen en met appellant in gesprek te gaan over een mogelijk afstudeertraject.
De uitspraak benadrukt de bevoegdheidsverdeling tussen examinatoren, het CBE en de Afdeling bestuursrechtspraak en bevestigt het belang van het volgen van de juiste beroepsprocedure binnen het hoger onderwijs.
Uitkomst: Het beroep tegen de derde beoordeling van de afstudeeropdracht wordt niet-ontvankelijk verklaard en het griffierecht wordt terugbetaald.
Uitspraak
202405661/1/A2.
Datum uitspraak: 31 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Hanzehogeschool Groningen (hierna: het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing hebben examinatoren de afstudeeropdracht van [appellant] voor de opleiding Finance & Control van de Hanzehogeschool Groningen met een onvoldoende beoordeeld.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 december 2024. Het CBE, vertegenwoordigd door mr. J. Knip, heeft via videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft de opleiding Finance & Control aan de Hanzehogeschool Groningen gevolgd. Zijn afstudeeropdracht voor deze opleiding is zowel bij de eerste als bij de tweede kans met een onvoldoende beoordeeld.
2. De examencommissie van het Instituut voor Business Marketing en Finance van de Hanzehogeschool Groningen (hierna: de examencommissie) heeft bij beslissing van 29 november 2011 het verzoek van [appellant] om een derde beoordeling door nieuwe beoordelaars van zijn afstudeeropdracht afgewezen. Bij beslissing van 9 februari 2022 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, de beslissing van 29 november 2011 vernietigd en de examencommissie opgedragen om de afstudeeropdracht van [appellant] opnieuw te laten beoordelen door twee onafhankelijke examinatoren, die geen leden zijn van de examencommissie.
3. Twee examinatoren hebben de afstudeeropdracht vervolgens met een onvoldoende beoordeeld (hierna: de derde beoordeling).
4. [appellant] heeft bij brief van 5 april 2024 een beroepschrift naar de Afdeling gestuurd, waarin hij heeft aangevoerd dat zijn afstudeeropdracht niet zorgvuldig beoordeeld is. De Afdeling heeft dit beroepschrift op 25 april 2024 doorgestuurd naar het CBE, waarbij zij heeft medegedeeld dat het CBE bevoegd is daarvan kennis te nemen.
5. Het CBE heeft [appellant] via telefonisch contact verwezen naar de Dean van het Instituut voor Business, Marketing en Finance van de Hanzehogeschool Groningen (hierna: de Dean) om te bespreken wat de mogelijkheden zijn om af te studeren.
6. De Dean heeft bij brief van 4 juli 2024 aan [appellant] medegedeeld dat het nodig is dat [appellant] is ingeschreven bij de Hanzehogeschool Groningen om een hernieuwd afstudeertraject te volgen. Verder heeft de Dean erop gewezen dat de termijn om beroep in te stellen tegen de derde beoordeling ruimschoots is overschreden en dat deze daarom inhoudelijk niet meer ter discussie kan staan.
7. [appellant] heeft bij brief van 8 juli 2024 zich opnieuw tot de Afdeling gewend. Hij heeft aangevoerd dat de Hanzehogeschool Groningen niet bereid is om te reageren op zijn gronden tegen de derde beoordeling. Volgens [appellant] is het onevenredig dat hem wordt tegengeworpen dat de beroepstermijn is overschreden.
Beoordeling beroep
8. Niet de Afdeling, maar het CBE is aangewezen om de gronden te beoordelen die [appellant] heeft aangevoerd tegen de derde beoordeling. Daartoe overweegt zij als volgt.
8.1. [appellant] kan beroep instellen bij de Afdeling tegen een beslissing over de derde beoordeling. Dat volgt uit artikel 2 vanPro Bijlage 2, de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en artikel 7.64, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW). Gelet op artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb zal de Afdeling toch niet overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep van [appellant], omdat dat zich niet richt tegen een beslissing die in bezwaar of administratief beroep is genomen, maar zich rechtstreeks richt tegen de derde beoordeling, een primaire beslissing van examinatoren. Op grond van artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder e, van de WHW is het CBE bevoegd ten aanzien van die primaire beslissing.
8.2. De Afdeling zal daarom het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaren en de brieven van 5 april 2024 en 8 juli 2024 (nogmaals) aan het CBE doorzenden, zodat het CBE hierop een beslissing neemt.
8.3. De Afdeling merkt ten overvloede op dat het CBE op de zitting bij de Afdeling te kennen heeft gegeven dat het bereid is om een beslissing te nemen ten aanzien van de derde beoordeling. Verder heeft het CBE te kennen gegeven dat het nog steeds mogelijk is voor [appellant] om in gesprek met de Dean te onderzoeken welk traject kan worden ingezet om zijn opleiding af te ronden.
9. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
10. Redelijke toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem voor het beroep betaalde griffierecht terugbetaalt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 51,00 voor de behandeling van het beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.