ECLI:NL:RVS:2024:593
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging kosten bestuursdwang na gedeeltelijk gegrond bezwaar en beroep
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde bij besluit van 7 april 2020 de kosten van bestuursdwang vast op €6.235,75 en bracht deze bij appellant in rekening. Na bezwaar werd dit bedrag op 11 november 2020 verlaagd naar €5.094,64. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en stelde de kosten vast op €3.023,35, waarbij zij slechts €500 in mindering bracht voor niet of onjuist uitgevoerde werkzaamheden.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing, stellende dat de korting op de kosten hoger had moeten zijn (€2.694,67) op basis van een offerte van juni 2022 voor het alsnog uitvoeren van de werkzaamheden, waaronder het verwijderen van een betonplaat. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat de rechtbank terecht is uitgegaan van een eerdere offerte van december 2019, die voorafgaand aan de werkzaamheden is uitgebracht en die niet het verwijderen van de betonplaat omvatte.
Verder acht de Afdeling de inschatting van appellant over de kosten die niet zijn gemaakt niet redelijk, mede gelet op de fotodocumentatie van de situatie voor en na de werkzaamheden. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de kosten van bestuursdwang worden vastgesteld op €3.023,35.