ECLI:NL:RVS:2024:676

Raad van State

Datum uitspraak
19 februari 2024
Publicatiedatum
19 februari 2024
Zaaknummer
202301650/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:21 AwbArt. 85 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over intrekking beroep in vreemdelingenzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 september 2020 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, dat op 25 november 2022 door zijn gemachtigde werd ingetrokken. De rechtbank behandelde het beroep echter alsnog inhoudelijk en verklaarde het gegrond.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog ambtshalve dat een rechtsgeldige intrekking van een beroep na afloop van de beroepstermijn in principe niet ongedaan kan worden gemaakt, tenzij sprake is van omstandigheden als dwaling of dwang. In deze zaak was de intrekking aan de vreemdeling toe te rekenen en werd geen uitzondering vastgesteld.

Daarom oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte op het ingetrokken beroep heeft beslist, hetgeen in strijd is met het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd omdat het beroep rechtsgeldig was ingetrokken.

Uitspraak

202301650/1/V2.
Datum uitspraak: 19 februari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 februari 2023 in zaak nr. NL21.6721 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 19 april 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag (lees: het bezwaar) neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat te Gouda, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend waaruit blijkt dat hij de vreemdeling inmiddels een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend.
Overwegingen
1.       Voor zover de vreemdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting bedoelt te betogen dat het hoger beroep niet voldoet aan artikel 85 van Pro de Vw 2000, omdat de staatssecretaris bij de rechtbank niet heeft aangevoerd dat de gemachtigde van de vreemdeling het beroep had ingetrokken, leidt dit betoog niet tot het ermee beoogde doel. De Afdeling moet namelijk ook ambtshalve, dat wil zeggen los van de wil van partijen, toetsen of er een beroep voorlag waarop de rechtbank diende te beslissen.
2.       De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.
2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3453, onder 3.1), kan een bevoegd gedane intrekking van een beroep na afloop van de beroepstermijn in beginsel niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van aan betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waar hij in een situatie van dwaling verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van enige zijde om de betrokkene te bewegen het beroep in te trekken.
2.2.    De gemachtigde van de vreemdeling heeft het op 3 mei 2021 bij de rechtbank ingestelde beroep op 25 november 2022 ingetrokken. In de brief van 28 november 2022 heeft de gemachtigde de rechtbank meegedeeld dat het ingestelde beroep per abuis is ingetrokken en dat dit niet de bedoeling was. Deze omstandigheid is aan de vreemdeling toe te rekenen en levert in beginsel geen situatie van dwaling, als hiervoor bedoeld, op. De vreemdeling heeft niets aangevoerd waarom dat in deze zaak anders zou zijn. Uit het voorgaande volgt dat de intrekking niet ongedaan kon worden gemaakt. Vergelijk de uitspraak van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3836, onder 2.
2.3.    De rechtbank heeft het bij haar ingestelde beroep ten onrechte behandeld. Het is immers in strijd met het stelsel van de Awb om op een met toepassing van artikel 6:21 van Pro die wet ingetrokken en dus niet meer bestaand beroep te beslissen.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 februari 2023 in zaak nr. NL21.6721.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2024
363-1047